Van onze advocaat legitieme de volgende casus: Erflaatster overlijdt in 2009. Haar zoon eist een verklaring voor recht dat erflaatster aan zijn dochter (erflaatsters kleindochter) een gift heeft gedaan die meetelt voor de berekening van zijn legitieme portie (art. 4:67 BW). Erflaatster heeft de dochter in 1996 een tienjarig optierecht verleend tegen een vast bedrag, ten aanzien van een onroerende zaak waarin het noodlijdende bedrijf van erflaatster en haar overleden echtgenoot was gevestigd. In 2005 is dit optierecht uitgemond in een koopovereenkomst tussen erflaatster en de dochter, waaraan in 2008 door levering uitvoering is gegeven. Vervolgens is het pand doorgeleverd aan de gemeente.

De zoon betoogt, onder verwijzing naar de tienjaarstermijn in de optie-overeenkomst in 1996, dat de levering in 2008 onverplicht was en een gift behelst die meetelt voor de legitieme (art. 4:67 onder e BW). Volgens het hof heeft erflaatster verplicht geleverd ter uitvoering van de in 2005 tijdig uitgeoefende optie. Vervolgens is de vraag of het verlenen van het optierecht in 1996 een gift is in de zin van artikel 4:67 onder a BW (met het vooruitzicht om legitimarissen te benadelen).

Het hof meent dat geen sprake is van een gift, laat staan een gift in de zin van artikel 4:67 onder a BW. De dochter heeft erflaatster bedragen ter leen verstrekt en werkzaamheden verricht om het noodlijdende bedrijf af te wikkelen. Erflaatster heeft haar daarvoor een vergoeding toegezegd in de vorm van de optie. De bedongen prijs was volgens het hof, gelet op ernstige bodemvervuiling en de slechte staat van het pand, niet zodanig laag dat de optieverlening ertoe strekte om de dochter te verrijken ten koste van erflaatster. De latere doorlevering aan de gemeente voor een aanmerkelijk hoger bedrag is terug te voeren op (project)ontwikkelingen die in 1996 niet te voorzien waren en tussentijdse investeringen van de dochter.

Bel onze advocaat legitieme als u vragen heeft over de legitieme: 020-3980150.