Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 10 juli 2018 uitspraak gedaan over de vaststelling van de legitieme, de berekening van de legitimaire massa en over de mogelijkheid van verrekening.

Appellant is krachtens testament verleden op 27 augustus 2008 enige en algehele erfgenaam in de nalatenschap van vader (hierna: erflater) die in 2012 is overleden. In zijn testament heeft erflater appellant tevens benoemd tot executeur van zijn nalatenschap. Appellant heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.

Bij beschikking van 22 april 2013 van de rechtbank Den Haag is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vastgesteld. Erflater is de biologische vader van appellant. Niet is komen vast te staan dat erflater de juridische vader van appellant is.

In geschil is of geïntimeerde als legitimaris recht heeft op zijn legitieme portie en zo ja, wat de waarde is waarover de legitieme portie moet worden berekend (de legitimaire massa).

Nu hieromtrent geen grieven zijn opgeworpen, gaat het hof er met de rechtbank vanuit dat geïntimeerde tijdig een beroep op zijn legitieme heeft gedaan en dat de legitieme portie van geïntimeerde de helft van de legitimaire massa bedraagt.

Is biologisch kind legitimaris?

De rechter oordeelt als volgt.

In zijn eerste, meest verstrekkende grief herhaalt de erfgenaam zijn stelling in eerste aanleg, dat geïntimeerde geen afstammeling is van erflater en derhalve geen aanspraak kan maken op een legitieme portie.

Hij voert daartoe in de kern het volgende aan: weliswaar is het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde in rechte vastgesteld, maar geïntimeerde heeft in die procedure de rechtbank bewust misleid met de stelling dat hij pas in 2012 door DNA-onderzoek op de hoogte is geraakt van zijn verwantschap met erflater, terwijl de uitslag van dit onderzoek reeds in 2003 bij geïntimeerde bekend was.

Geïntimeerde heeft de stellingen van appellant gemotiveerd betwist. Hij merkt op dat ter zake hetgeen door de rechtbank in dit verband over de beschikking van 22 april 2013 van de rechtbank Den Haag en het indienen van herroeping daarvan is overwogen niet gegriefd is.

De rechter is van oordeel dat de eerste grief van appellant faalt.

Zoals geïntimeerde terecht stelt, is de beschikking waarbij het vaderschap van erflater ten aanzien van geïntimeerde is vastgesteld inmiddels in kracht van gewijsde gegaan, zodat deze beslissing in het onderhavige geding tussen partijen bindende kracht heeft.

Of geïntimeerde in dat geding bedrog heeft gepleegd – zoals, naar het hof begrijpt, appellant stelt – kan eerst in een procedure tot herroeping van de beschikking tot gerechtelijke vaststelling vaderschap aan de orde komen. Echter, op geen enkele wijze is gebleken dat appellant op de voet van artikel 390 en volgende Rv. tijdig herroeping van die beschikking heeft verzocht en dat dit verzoek is toegewezen.

Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechter het juridisch vaderschap van erflater over geïntimeerde vast. Anders dan appellant kennelijk meent, kan een kind te allen tijde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap doen, ook indien de persoon van wie het vaderschap moet worden vastgesteld, inmiddels is overleden. Aan dit verzoek is geen vervaltermijn is verbonden.

De rechter passeert het door de erfgenaam in het kader van zijn eerste grief aangeboden getuigenbewijs als niet ter zake doende. Hetgeen partijen omtrent de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van erflater overigens nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Nu geïntimeerde als afstammeling van erflater door de wet als erfgenaam tot de nalatenschap van erflater wordt geroepen, is hij op grond van artikel 4:63 lid 2 BW legitimaris en heeft hij recht op zijn legitieme portie, bestaande uit een vordering in geld op het vermogen van erflater. Geïntimeerde is door een beroep te doen op zijn legitieme portie geen erfgenaam geworden.

De berekening van de legitimaire massa. Verrekening?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.

In zijn overige grieven betoogt de erfgenaam dat de rechtbank de legitimaire massa op twee onderdelen onjuist heeft vastgesteld. De rechter zal deze hierna bespreken.

Volgens de erfgenaam had erflater ten tijde van zijn overlijden een vordering van € 126.385,- inclusief rente op de legitimaris, vanwege door erflater ten behoeve van legitimaris gedane betalingen aan derden.

Bij de vaststelling van de legitimaire massa dient met dit bedrag nog rekening te worden gehouden. In zijn memorie van antwoord in incidenteel appel stelt de erfgenaam dat hij persisteert dat het bedrag van € 126.385,- in mindering moet worden gebracht op de legitimaire massa omdat dit bedrag ten behoeve van legitimaris door erflater is betaald.

De legitimaris verweert zich tegen de stellingen van appellant als volgt:

– de door erfgenaam gestelde vordering van erflater ziet op schulden van de tot 2006 door partijen gezamenlijk gedreven vennootschap onder firma (hierna: de vof), die daarna door de erfgenaam als eenmanszaak is voortgezet. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van 22 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de erfgenaam op basis van de door partijen gemaakte afspraken over de afwikkeling van de vof, gehouden is geïntimeerde te vrijwaren van alle vennootschapsschulden. Erflater had ter zake derhalve geen vordering op legitimaris;

– de erfgenaam heeft geen belang bij zijn grief omdat indien de legitimaire massa wordt verhoogd met voormeld bedrag van de vordering, de legitimaire aanspraak van de legitimaris ook hoger wordt.

De legitimaris stelt zich in incidenteel appel op het standpunt dat de door de rechtbank berekende legitimaire massa van € 655.187,66 nog moet worden verhoogd met het bedrag van € 126.385,-.

Dit omdat erflater door het betalen van die vennootschapsschulden een vordering heeft gekregen op de vof casu quo vennoten, voor welke vordering erfgenaam legitimaris diende te vrijwaren op grond van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2015. De legitimaris berekent zijn legitieme portie aldus op € 390.786,33.

De rechter begrijpt uit de memorie van grieven in samenhang bezien met de memorie van antwoord in incidenteel appel dat de grief van de erfgenaam zich beperkt tot de door hem gestelde vordering van erflater op legitimaris van € 126.385,-. Blijkens de memorie van antwoord heeft ook de legitimaris die grief als zodanig heeft opgevat.

De rechter stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen in confesso is dat ten tijde van zijn overlijden tot het vermogen van erflater behoorde een vordering van € 126.385,- vanwege door erflater ten behoeve van legitimaris betaalde schulden.

Volgens erfgenaam betreft dit een vordering op de legitimaris, volgens de legitimaris een vordering op de vennootschap casu quo vennoten, waarvoor appellant hem op grond van het vonnis van 22 juli 2015 dient te vrijwaren.

De rechter is van oordeel dat voormelde geldvordering van erflater deel uitmaakt van de goederen van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:65 BW en derhalve alsnog bij de waarde van die goederen van de nalatenschap moet worden opgeteld.

De rechter overweegt voorts dat het procesdossier onvoldoende relevante gegevens bevat om te kunnen vaststellen of de vordering betrekking heeft op schulden van geïntimeerde verband houdende met de vof of op andere schulden van legitimaris en wie deze schulden moet dragen.

Daar komt bij dat partijen hieromtrent wisselende stellingen innemen. Legitimaris heeft in eerste aanleg nog betwist dat erflater schulden van de vof voor zijn rekening zou hebben genomen. Dit terwijl de erfgenaam in zijn toelichting op grief melding maakt van een bedrag van ruim
€ 100.000,- dat erflater ten behoeve van de toenmalige vof en de belastingschuld van beide vennoten zou hebben betaald.

De rechter begrijpt uit de stellingname van de erfgenaam in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel dat hij een beroep op verrekening doet, in die zin dat de door hem gestelde schuld van legitimaris aan erflater ad € 126.385,- op de legitieme portie van legitimaris in mindering moet worden gebracht. Dat erflater een vordering op de legitimaris had, staat echter blijkens het door partijen gevoerde debat in het geheel niet vast voor het hof, zodat voor (het toepassen van) verrekening geen plaats is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de vaststelling en de waarde van de legitieme of over de mogelijkheid tot verrekening in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.