De Rechtbank Noord-Holland heeft op 17 juni 2020 uitspraak gedaan over een vordering ex 843a Rv van erfgenaam tot afgifte van stukken om zijn erfdeel te kunnen bepalen.

Eiser legt aan zijn incidentele vordering ten grondslag dat gedaagde hem aanvankelijk ten onrechte niet bij de afwikkeling van de nalatenschap heeft betrokken en hij geen reactie kreeg op zijn herhaalde verzoeken om informatie.

Gedaagde voert aan dat geen sprake is van onwil en hij tot een oplossing in der minne wil komen en druk doende is de daartoe benodigde stukken te verzamelen.

Volgens gedaagde heeft hij aan zijn inlichtingenplicht voldaan en zal hij hieraan blijven voldoen voor zover het stukken betreft die van belang zijn voor de vaststelling van de aanspraak van eiser in verband met de van toepassing zijnde ouderlijke boedelverdeling.

Vordering van erfgenaam, tevens legitimaris, tot afgifte van stukken om zijn erfdeel te kunnen bepalen. Ouderlijke boedelverdeling.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten.

Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was.

Artikel 843a Rv biedt derhalve niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de eiser in het incident, slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen in de hoofdzaak.

Naast deze beperkingen – waarmee is beoogd een dam op te werpen tegen zogenoemde “fishing expeditions” – bevat het artikel de nadere restrictie dat degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft, niet is gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser als erfgenaam recht heeft op afschrift of inzage in de stukken die zien op de nalatenschap van erflaatster.

Het verweer van gedaagde dat het verzoek onvoldoende spoedeisend is nu in de hoofdzaak afgifte van dezelfde stukken en informatie wordt verlangd, kan niet worden gevolgd.

Dat gedaagde doende is de nodige stukken te verzamelen en een schikkingsvoorstel in de maak is, maakt dit niet anders.

De vordering tot inzage in, dan wel afschrift van alle onderbouwende stukken van de verschillende bedragen zoals opgegeven in het ‘overzicht boedel’ zonder dat delen daarvan onleesbaar zijn gemaakt, zal daarom worden toegewezen.

De toezegging van gedaagde dat hij hier vrijwillig aan zal voldoen, staat aan die toewijzing niet in de weg.

Ook de inzage in alle bankafschriften van erflaatster over een periode van 5 jaar zal worden toegewezen.

Eiser heeft als erfgenaam en legitimaris immers recht op inzage in de administratie van erflaatster.

Met een fishing expedition heeft dit niet van doen.

Dat eiser vooralsnog geen aanspraak heeft gemaakt op zijn aanvullende legitieme portie maakt dit niet anders.

De omstandigheid dat gedaagde een dergelijke inzage als uiterst belastend ervaart, doet evenmin aan het inzagerecht van eiser afbreuk.

Dit geldt evenzeer voor de verzochte inzage in de aangifte IB van erflaatster, alsmede de aangifte IB van gedaagde.

Zoals gedaagde zelf ook aangeeft heeft eiser recht en belang bij inzage van de stukken die van belang zijn voor de vaststelling van zijn aanspraak in verband met de van toepassing zijnde ouderlijke boedelverdeling.

Nu gedaagde het bestaan van een verrekeningsvordering uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden, die tot de nalatenschap behoort, niet heeft betwist, is het belang van eiser bij deze stukken naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegeven.

Voor inzage in alle bankafschriften van gedaagde van de afgelopen 5 jaren ziet de rechtbank vooralsnog, mede gelet op de vertrouwelijkheid van deze gegevens, onvoldoende grond.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom eiser, naast eerder genoemde IB aangifte, belang heeft in inzage in iedere afzonderlijke financiële transactie van gedaagde over de afgelopen 5 jaren.

De vordering tot inzage in, dan wel afschrift van de overige gevorderde stukken zal worden afgewezen.

Het inzagerecht van artikel 843a Rv heeft uitsluitend betrekking op bestaande bescheiden en niet op het opmaken daarvan.

Voor zover de gevraagde overzichten of de opgave en (taxatie-)rapporten (nog) niet bestaan, kan artikel 843a Rv daarom geen grondslag vormen voor toewijzing van de vordering.

Dit geldt evenzeer voor de verzochte polissen levensverzekeringen en correspondentie over de uitkering hiervan, nu gedaagde het bestaan hiervan heeft betwist.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen nu gedaagde heeft toegezegd vrijwillig aan de veroordeling te zullen voldoen.

De rechtbank ziet, gelet op de familierechtelijke relatie van partijen, aanleiding de proceskosten van dit incident te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.