De Rechtbank Overijssel heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een optierecht tot de koop van een woning betrokken diende te worden bij de vaststelling van de hoogte van de legitimaire massa.

In deze zaak doet eiser een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschappen van haar ouders, in welke nalatenschappen gedaagde tot enig erfgenaam is benoemd.

Artikel 4: 7 lid 1 onder1 g van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de legitieme portie een vordering in geld is op de gezamenlijke erfgenamen.

Het betreft een schuld van de nalatenschap.

Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser uit hoofde van haar beroep op de legitieme portie een bedrag van gedaagde te vorderen heeft en zo ja welk bedrag.

Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme. Optierecht tot koop van een woning. Dient de koopoptie betrokken te worden bij de vaststelling van de hoogte van de legitimaire massa?

De rechter oordeelt als volgt.

De legitieme portie van een kind bedraagt op grond van artikel 4:64 BW de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal achtergelaten personen als bedoeld in artikel lid 1 onder a BW.

De legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschappen vermeerderd met giften en verminderd met schulden.

Deze waarde wordt legitimaire massa genoemd.

Op grond van artikel 4:66 BW wordt een gift in beginsel gewaardeerd naar de waarde op het moment van de prestatie.

Voor het bepalen van de legitieme portie van eiser wordt onderscheid gemaakt tussen de nalatenschap van de moeder en van de vader.

De moeder is eerder overleden dan de vader, waarmee het aantal achtergelaten personen bij de moeder vier (de vader en drie kinderen) is en bij de vader drie (drie kinderen).

Voor de nalatenschap van de moeder betekent dit voor eiser een recht op de helft van een kwart is een achtste, en voor de nalatenschap van de vader betekent dat een recht op de helft van een derde is een zesde.

Hierna zal de rechtbank ingaan op de stellingen van partijen over de omvang van de legitieme portie van eiser.

Tussen partijen is in geschil of de vader aan eiser een koopoptie heeft verstrekt voor de woning.

Eiser stelt dat zij in 2000 met de ouders een overeenkomst heeft gesloten inhoudende dat zij te zijner tijd deze woning zou kunnen kopen.

Zij verwijst naar een document, gedateerd op 3 maart 2000 met als aanhef ‘optierecht tot koop’.

Zij heeft dit bij haar thuis ondertekend in aanwezigheid van haar vader en haar echtgenoot en aan de vader meegegeven ter ondertekening van de vader, de moeder en gedaagde.

Zij heeft het optierecht met haar moeder besproken.

Eiser heeft geen exemplaar van dit document behouden en ze heeft nimmer een door de vader, de moeder en gedaagde ondertekend exemplaar ontvangen.

Eiser heeft een verklaring van haar echtgenoot in het geding gebracht waarbij deze de door eiser weergegeven gang van zaken bevestigt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat dit optierecht in ieder geval mondeling is overeengekomen, met zowel de vader als de moeder.

Pas nadat de ouders de woning aan gedaagde in eigendom hadden overgedragen, kwam eiser erachter dat de ouders en gedaagde het document niet hadden ondertekend.

Dat haar ouders er op terug zijn gekomen is haar niet verteld.

Vanaf toen is een breuk ontstaan tussen eiser en de rest van de familie.

Gedaagde verwijst naar een brief van 19 juni 2000 van mr A (het accountantskantoor waar de vader en de moeder hun administratie hadden ondergebracht) waaruit moet worden afgeleid dat de koopoptie niet is verleend.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende een optierecht tot koop.

Voor de beantwoording van die vraag is van belang dat een koopovereenkomst een wederkerige overeenkomst is waarbij partijen zich verbinden tot het nakomen van tegenover elkaar liggende prestaties, in dit geval een (toekomstige) optie op koop van een huis tegen een in de toekomst te betalen (vooraf bepaalde) koopprijs.

Daarbij is van belang wat partijen tegenover elkaar hebben verklaard en uit elkaars verklaringen redelijkerwijs mochten afleiden.

Allereerst kan worden vastgesteld dat er op verzoek van de vader een document ‘optierecht tot koop’ tot stand is gekomen, welke document hij aan eiser heeft laten zien en in het geding is gebracht.

Weliswaar is dit een begin van bewijs, maar het document is niet door de partijen ondertekend en daarmee niet volledig.

Eiser stelt dat de vader heeft verklaard dat hij het document zou gaan tekenen, maar dat maakt nog niet dat op grond daarvan mondeling het optierecht tot koop tot stand is gekomen.

Een datum van deze mondelinge verklaring van de vader is niet bekend maar gelet op de datum van het document, 3 maart 2000, zal die datum rond die datum liggen.

Tegenover de verklaring van eiser staat de schriftelijke verklaring van de accountant gedateerd 19 juni 2000, waaruit blijkt dat de vader de woning in de toekomst aan gedaagde wilde overdragen.

De inhoud van dit document heeft eiser niet gemotiveerd betwist.

Nu de vader in een relatief kort tijdsbestek verschillend heeft verklaard, kan de wil van de vader niet eenduidig worden vastgesteld.

Dit betekent dat eiser geen aanvullend bewijs heeft geleverd.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het optierecht tot koop van genoemde woning, schriftelijk dan wel mondeling, niet tot stand is gekomen.

Daar komt nog bij dat de moeder als partij wordt genoemd in het document.

Niet is komen vast te staan wat zij wilde en wat zij heeft verklaard.

De rechtbank merkt daarbij op dat de termijn waarbinnen eiser het recht op koop kan inroepen inmiddels is verstreken (artikel 2 van de koopoptie: 1 jaar na overlijden van de langstlevende ouder of permanent vertrek uit de woning door de ouders).

Dat eiser dat recht mogelijkerwijs niet heeft ingeroepen omdat zij al in 2020, in ieder geval bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, wist dat de woning aan gedaagde was toebedeeld, maakt de overschrijding van de termijn niet zonder meer ongedaan.

De rechtbank zal bij het bepalen van de legitieme portie het optierecht buiten beschouwing laten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.