De Rechtbank Noord-Holland heeft op 20 januari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de pinopnames van de bankrekening van de erflaatster in aanmerking genomen moesten worden bij de vaststelling van de legitimaire massa.

A is door zijn moeder (hierna: erflaatster) onterfd.

A maakt aanspraak op zijn legitieme portie.

Vast staat dat zijn legitieme portie een kwart van de legitimaire massa bedraagt.

Tussen partijen is de omvang van de legitimaire massa in geschil.

Legitieme. Vaststelling van de omvang van de legitimaire massa. Dienen de pinopnames van de bankrekening van de erflaatster in aanmerking genomen worden? Normale uitgavenpatroon.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank dient de omvang van de legitimaire massa vast te stellen.

De legitimaire massa wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap van erflaatster, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met schulden.

In het tussenvonnis van 22 juli 2020 heeft de rechtbank overwogen dat de legitimaire massa – in ieder geval – de volgende goederen en giften omvat:

-Saldo ING betaalrekening € 1.172,22

-Saldo ING Oranje spaarrekening € 13.531,89

-Schenkingen 2014 aan gedaagde en kleinkinderen € 12.000,-

-Schenkingen 2015 aan kleinkinderen € 5.000,-

Daarnaast heeft de rechtbank de bewindvoerder opgedragen te bewijzen dat de pinopnames van in totaal € 24.000,- van de bankrekening van erflaatster (over de periode 2012-2016) door gedaagde buiten het normale uitgavenpatroon van erflaatster vielen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de bewindvoerder niet geslaagd in zijn bewijsopdracht.

Allereerst begrijpt de bewindvoerder ten onrechte uit de bewijsopdracht dat de pinopnames over de periode 2014-2016 niet tot het gebruikelijke uitgavenpatroon horen.

In het dictum van het vonnis van 22 juli 2020 staat inderdaad – per abuis – vermeld dat de bewijsopdracht gaat over de pinopnames in de periode 2012-2014, maar uit de overwegingen in het vonnis blijkt duidelijk dat de rechtbank niet heeft bedoeld de bewijsopdracht te beperken tot die periode.

In de rest van het vonnis wordt uitsluitend gesproken over pinopnames in de periode 2012-2016, net als in de procestukken en tijdens de mondelinge behandeling.

Deze periode sluit ook aan bij de termijn van vijf jaar die artikel 4:67 BW noemt voor de in aanmerking te nemen giften.

Buiten twijfel is dus dat de bewijsopdracht gaat over de periode 2012-2016.

Ter onderbouwing verwijst de bewindvoerder opnieuw naar het verloop van het vermogen van erflaatster.

Hij stelt dat erflaatster sinds 2014 niet meer heeft kunnen sparen, dat haar inkomen volledig werd verbruikt en dat zij inteerde op haar vermogen.

Gelet hierop en op de forse daling van de vaste lasten wegens haar verblijf in een verzorgingstehuis, concludeert de bewindvoerder dat de pinopnames niet tot het gebruikelijke uitgavenpatroon van erflaatster hoorden.

Ook betwist de bewindvoerder opnieuw in algemene zin de hoogte van de uitgaven van erflaatster (aan kleding/beddengoed, uitjes, hobby’s, vakanties).

De rechtbank vindt dit onvoldoende.

Concrete stellingen over het normale uitgavenpatroon van erflaatster ontbreken.

Dit terwijl gedaagde heeft gesteld dat erflaatster het niet prettig vond om in winkels te pinnen en graag een bedrag aan contant geld tot haar beschikking had.

Van dit geld werden uitgaven voor kleding en persoonlijke verzorging gedaan, maar ook voor activiteiten en uitjes die erflaatster veelvuldig met anderen ondernam en bekostigde.

In aanvulling hierop heeft gedaagde in haar antwoordakte gesteld dat van het inkomen van erflaatster, na aftrek van de meest basale uitgaven, slechts € 517,- netto per maand resteerde, zodat erflaatster – gezien haar ondernemende instelling – onmogelijk kon sparen.

Wat de bewindvoerder heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het door gedaagde geschetste beeld van het uitgavenpatroon van erflaatster.

De enkele omstandigheid dat het vermogen van erflaatster per 1 januari 2014 € 37.966,- bedroeg, per 1 januari 2015 met € 14.323,- is afgenomen en per 1 januari 2016 met € 9.000,- is afgenomen, maakt nog niet dat de pinopnames als afwijkend van het normale patroon moeten worden beschouwd.

Te meer omdat erflaatster in 2014-2015 in totaal € 17.000,- heeft geschonken.

Voor zover het de bewindvoerder aan informatie over het uitgavenpatroon van erflaatster ontbreekt, omdat B in de laatste vijfentwintig jaar geen contact heeft gehad met erflaatster, komt dat voor rekening en risico van B.

Omdat de bewindvoerder niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om gedaagde nadere uitleg te laten verschaffen over de bestemming van de pinopnames.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank bij het bepalen van de omvang van de legitimaire massa geen rekening houdt met de pinopnames.

Andere goederen, giften of schulden die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa zijn door partijen niet gesteld.

Uitgaande van de opsomming onder 3.3. van dit vonnis bedraagt de legitimaire massa dus € 31.704,11.

De legitieme portie van A bedraagt een kwart van de legitimaire massa, dus € 7.926,03 (€ 31.704,11/4) .

De rechtbank zal gedaagde veroordelen tot betaling van dit bedrag aan A.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.