De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling van de omvang van de legitieme portie vanwege vermeende giften.
Bij dagvaarding vordert eiser dat de rechtbank haar legitieme portie in de nalatenschap van haar vader vaststelt en gedaagde veroordeelt tot betaling van haar legitieme.
Gedaagde voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan.
Op de stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Erfrecht. Legitieme. Vaststellen van de omvang van de legitieme portie. Giften. Gebruikelijke en bovenmatige giften? Geldopnames met pinpas. Bewijslast. Bewijsopdracht. Normale uitgavenpatroon van erflater.
De rechter oordeelt als volgt.
Aan de orde is de omvang van de legitieme portie van eiser met betrekking tot de nalatenschap van erflater.
De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris in weerwil van giften en de uiterste wilsbeschikking van de erflater, aanspraak kan maken (artikel 4:63 BW).
De legitieme portie is een bevoegdheid, een wilsrecht van dwingendrechtelijke aard, waarop een beroep kan worden gedaan en betreft een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen.
De erflater heeft geen invloed op de omvang van de legitieme portie in die zin, dat de omvang volgens vaste regels wordt vastgesteld.
Met de regeling van de legitieme portie is onder meer beoogd recht te doen aan de maatschappelijke opvatting dat de kinderen van een erflater zoveel mogelijk gelijk worden behandeld.
Door de legitieme wordt de erflater beperkt in het maken van onderscheid tussen de eigen kinderen. De legitieme portie beschermt de kinderen tegen bevoordeling van het ene kind boven het andere.
De legitieme portie wordt op grond van het bepaalde in artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden.
Niet alle giften worden in aanmerking genomen bij de berekening van de legitieme portie.
Volgens artikel 4:67 BW worden als in aanmerking genomen giften beschouwd, onder meer, giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor het overlijden van erflater is geschied (aanhef onder e).
Niet als in aanmerking te nemen giften worden beschouwd, onder meer, gebruikelijke giften, voor zover zij niet bovenmatig zijn (artikel 4:69 lid 1 onder b BW).
Als eiser niet was onterfd, zou zij recht hebben gehad op de helft van de nalatenschap van erflater.
De legitieme portie van eiser is de helft daarvan, dus een vierde deel (artikel 4:64 BW). Dit deel moet worden berekend over de legitimaire massa.
Eiser voert aan dat bij het bedrag van € 5.221,29 ten onrechte geen rekening is gehouden met de giften die erflater in de vijf jaren voorafgaand aan zijn overlijden aan gedaagde en zijn gezin heeft gedaan.
Volgens eiser betreft het een bedrag van in totaal € 24.351,00.
Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiser naar het door haar als productie overgelegde overzicht van de pinopnames van de bankrekeningen van erflater in de periode juli 2018 tot en met december 2020 tot genoemd bedrag.
Eiser stelt dat de hoge pinopnames niet binnen het normale uitgavenpatroon van erflater vielen, dat het hier in aanmerking te nemen giften betreft als bedoeld in artikel 4:67 BW en dat deze daarom bij de waarde van de goederen van de nalatenschap van erflater moeten worden opgeteld.
Ter zitting is komen vast te staan dat erflater in de laatste twee jaren voorafgaand aan zijn overlijden een bedrag van € 900,00 per jaar heeft geschonken aan gedaagde en zijn gezin.
Gedaagde betwist dat de giften bij de waarde van de goederen van de nalatenschap moeten worden opgeteld, omdat deze – zo stelt hij – niet bovenmatig waren.
Met andere giften anders dan bedragen tussen de € 10,00 en € 50,00 die erflater bij verjaardagen van zijn vriendin, familieleden of vrienden cadeau deed, stelt gedaagde niet bekend te zijn.
Volgens gedaagde had erflater een automatische
incasso voor de vaste lasten, maar betaalde erflater alle overige gemaakte kosten, zoals voor boodschappen, restaurantbezoek, aanschaf hulp- en verzorgingsmiddelen,
kosten taxi en huishoudelijke hulp, contant.
Gedaagde stelt dat erflater midden in het leven stond, lid was van een seniorencollectief, graag uit eten ging en vrienden en familie bezocht.
Voorts stelt gedaagde dat erflater tot het eind van zijn leven zelf in staat was financiële beslissingen te nemen en dat hij zelf zijn financiële zaken beheerde.
Hij heeft gedurende het leven van erflater geen toegang gehad tot de bankrekeningen van erflater en geen zicht gehad op de financiën van erflater.
Hij weet daarom niet waaraan erflater de betreffende pinopnames heeft besteed, aldus gedaagde.
Het bepaalde in artikel 4:67 BW strekt tot uitgangspunt, nu vast staat dat erflater twee maal een bedrag van € 900,00 binnen vijf jaren voorafgaand aan zijn overlijden heeft geschonken aan gedaagde en zijn gezin.
Dit brengt met zich dat de twee giften in beginsel bij de waarde van de goederen van de nalatenschap van erflater moeten worden opgeteld.
Dit is niet het geval indien de giften als gebruikelijke en niet bovenmatige giften kunnen worden beschouwd als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 onder b BW.
De rechtbank begrijpt dat gedaagde op dat artikel een beroep doet.
Een gebruikelijke gift is een gangbare, gewone gift, bijvoorbeeld een gift voor een verjaardag, een huwelijk of voor Sinterklaas of Kerst.
Ook giften die aan kinderen worden gedaan zonder al te groot onderscheid te maken worden daaronder verstaan.
Onder niet bovenmatig wordt verstaan gering in omvang, waarbij de omstandigheden zoals de financiële positie van erflater een zekere rol speelt.
Voor de twee giften van € 900,00 aan gedaagde en zijn gezin is geen concrete reden gegeven.
Niet ter discussie staat dat eiser deze giften niet van erflater heeft ontvangen.
Ter zitting stelt eiser dat erflater met de giften gedaagde heeft willen
bevoordelen boven haar, omdat haar relatie met erflater niet goed was.
Gedaagde heeft dit niet althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat van de juistheid van de stelling van eiser wordt uitgegaan.
Hoewel het erflater vrij stond de giften met dat doel te doen, brengt de beschermingsgedachte van de legitieme portie met zich, dat de betreffende giften als niet gebruikelijk en bovenmatig als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 onder b BW moeten worden beschouwd.
De giften zijn te meer bovenmatig, omdat de omvang daarvan niet gering is.
Zo bestond – naar zeggen van gedaagde – het maandelijks inkomen van erflater uit een AOW-uitkering van € 1.218,19 en een pensioen van € 550,00.
Een gift van € 900,00, die dus ruim de helft van het maandelijks inkomen van erflater bedroeg, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als gering in omvang worden beschouwd.
Daarbij worden mede in aanmerking genomen de vaste lasten van erflater zoals die uit de overgelegde bankafschriften kunnen worden afgeleid, waaronder de maandelijkse huur van € 366,38.
Geconcludeerd wordt daarom dat de twee giften van € 900,00 als in aanmerking te nemen giften moeten worden beschouwd.
De giften moeten daarom worden opgeteld bij de waarde van de goederen van de nalatenschap van erflater.
Aan de orde is thans de vraag of sprake is geweest van nog andere in aanmerking te nemen giften dan de twee giften van € 900,00.
Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat gedaagde geen afdoende verklaring heeft kunnen geven over de besteding van de andere hoge pinbedragen in de periode juli 2018 tot en met december 2020 zoals weergegeven in het door haar als productie overgelegde overzicht, dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze pinopnames buiten het normale uitgavenpatroon van erflater vielen, zodat het thans aan gedaagde is om aannemelijk te maken dat het hier geen in aanmerking te nemen giften betreft (omkering van de bewijslast).
De rechtbank volgt eiser niet in haar betoog.
Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.
De rechtbank begrijpt dat eiser zich kennelijk op deze laatste uitzondering beroept.
Toepassing van die uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden plaatsvinden.
De omstandigheid dat gedaagde niet kan verklaren over de besteding van de betreffende pinbedragen, is geen reden om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid.
Temeer niet, omdat op gedaagde geen verplichting rust om rekening en verantwoording af te leggen aan eiser over uitgaven die erflater tijdens zijn leven heeft gedaan.
Eiser heeft niet gesteld en ook is niet gebleken waarop een dergelijke verplichting gebaseerd zou zijn.
Bovendien is niet weersproken dat erflater tot aan zijn overlijden zelf in staat was financiële beslissingen te nemen, dat hij zelf zijn eigen financiële zaken beheerde en dat gedaagde geen toegang had tot de bankrekeningen van erflater en geen zicht had op de financiën van erflater.
Indien een partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt in een onredelijke bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij, zou omkering van de bewijslast geboden kunnen zijn.
Dat daarvan sprake is, is echter niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken.
Op eiser rust daarom de bewijslast van haar stelling dat sprake is geweest van nog andere in aanmerking te nemen giften dan de twee giften van € 900,00.
Vooropgesteld wordt dat erflater zelf mocht bepalen waaraan hij zijn geld wilde uitgeven en vast staat dat erflater tot aan zijn overlijden compos mentis was.
Het enkele feit dat er door de jaren heen door erflater grote bedragen zijn opgenomen via pinautomaten op verschillende adressen en dat er pinbetalingen zijn voor benzine, terwijl erflater volgens eiser de laatste jaren geen auto reed en slecht ter been was, is ontoereikend om aan te kunnen nemen dat die bedragen dus door erflater aan gedaagde en zijn gezin zijn geschonken.
Zo heeft gedaagde ter zitting verklaard dat erflater ook zijn huishoudster voor hem liet pinnen en dat erflater benzinegeld gaf aan zijn kleindochters en vrienden om hem ergens met de auto naar toe te brengen.
Voorts heeft gedaagde verklaard dat erflater de reparatie van het dak van zijn garage, hetgeen een grote kostenpost was, contant heeft betaald en dat erflater ook veel geld uitgaf aan het bedrukken van pennen en borstels, die hij uitdeelde aan derden.
Dat erflater niet kon internetbankieren en alle gemaakte kosten contant betaalde, behoudens de vaste lasten, die per automatische incasso werden betaald, vindt voorts bevestiging in de door gedaagde overgelegde verklaringen.
Daar staat tegenover dat gedaagde ter zitting heeft bevestigd dat erflater een bedrag van € 1.550,00 heeft gepind voor zijn kleindochter, zodat zij een auto kon kopen.
Gedaagde stelt dat dit een lening is geweest, die de kleindochter volledig aan erflater heeft terugbetaald.
Dit is een bevrijdend verweer, waarvoor gedaagde de bewijslast draagt.
Gedaagde zal daarom overeenkomstig zijn gedane bewijsaanbod worden toegelaten tot bewijs van zijn stelling dat sprake is geweest van een lening, die volledig aan erflater is terugbetaald.
Als gedaagde niet slaagt in het bewijs, staat naar het oordeel van de rechtbank vast
dat sprake is van een in aanmerking te nemen gift, omdat de gift is te kwalificeren als niet gebruikelijk en bovenmatig als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 onder b BW.
Dit brengt alsdan met zich dat het bedrag van € 1.550,00 moet worden opgeteld bij de waarde van de goederen van de nalatenschap.
Als gedaagde wel slaagt in de bewijsopdracht, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de legitimaire massa € 7.021,29 bedraagt
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.