Het Gerechtshof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de giften diende te worden ingekort wegens de aantasting van de legitieme bij een negatieve nalatenschap.
In de grief stellen geïntimeerden de aantasting van hun legitieme rechten in de nalatenschap van erflaatster aan de orde.
Erfrecht. Legitieme. Kwijtschelding van geldlening. Recht van gebruik en bewoning. Gift? Inkorting. Negatieve nalatenschap. Dienen de giften te worden inkort wegens aantasting van de legitieme?
De rechter oordeelt als volgt.
De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.
Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan.
Bij de berekening van de legitieme porties dient op basis van artikel 4:67 onder d BW eveneens rekening te worden gehouden met de door erflaatster aan appellant 1 gedane giften.
De peildatum voor de waarde van de activa is de datum van overlijden (tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daar tegen verzet) en de peildatum voor de omvang van de schulden is eveneens de datum van overlijden.
Bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie zijn geïntimeerden nader ingegaan op hun legitieme rechten.
Uit de randnummers volgt dat bij de berekening van de legitieme portie in ieder geval rekening moet worden gehouden met:
- a) kwijtschelding van de schuld van geïntimeerde 1 van € 115.000,
- b) kwijtschelding van de koopsom van € 196.955 door erflaatster aan appellant 1,
- c) de waarde van het recht van gebruik en bewoning gesteld dient te worden op nihil.
Geen grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de schuld van appellant 2 van € 40.000 is kwijtgescholden en dat ook de geldlening aan appellant 1 van € 115.000 niet meer tot de bezittingen van de nalatenschap behoort.
Ten aanzien van die geldlening moet naar het oordeel van het hof derhalve worden aangenomen dat deze bij leven is kwijtgescholden, zoals ook door appellant gesteld.
Bij voormelde schulden moet nog worden opgeteld de verschuldigde rente over de vorderingen uit hoofde van de erfdelen van erflater tot aan de datum van overlijden van erflaatster.
Uit de conclusie van antwoord in reconventie in eerste aanleg volgt dat appellanten van mening zijn dat met de waarde van recht van gebruik en bewoning ad € 180.900 rekening moet worden gehouden.
Zij verwijzen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2000, NJ 2000, 576.
Voorts hebben appellanten met betrekking tot de legitieme portie van geïntimeerden verwezen naar hetgeen zij in de inleidende dagvaarding hebben gesteld.
In de visie van appellanten heeft de regeling van de legitieme portie niet ten doel om schenkingen voor inkorting in aanmerking te laten komen indien die schenkingen zijn gedaan met een bijzondere reden en niet puur om een kind boven de andere kinderen te bevoordelen.
Voorts achten appellanten het beroep van geïntimeerden op hun legitieme portie in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Het hof overweegt als volgt.
De wettelijke bepalingen met betrekking tot legitieme vormen een feitelijke beperking van de testeervrijheid van erflaatster.
De legitieme is immers een in de wet vastgelegd recht van geïntimeerden.
Naar het oordeel van het hof zijn er door appellanten geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan geoordeeld moet worden dat aan appellanten geen beroep op hun legitieme rechten toekomt of dat sprake zou zijn van giften in de zin van artikel 4:69 BW lid 1 onder a die niet bij de bepaling van de omvang van de legitieme portie niet als giften in aanmerking worden genomen.
Het hof begrijpt voorts dat appellanten wensen dat rekening wordt gehouden met de door appellant 1 betaalde schenkbelasting.
Het hof houdt geen rekening met de door appellant 1 betaalde schenkbelasting.
Dit is een aangifte belasting die alleen op haar rust.
De totale gift aan appellant 1 bedraagt dus € 115.000 + € 196.555 = € 311.955 en bij de berekening van de legitieme rechten dient daarmee rekening te worden gehouden.
Voorts dient rekening te worden gehouden met de kwijtschelding van de schuld van appellant 2 van € 40.000.
Het hof is van oordeel dat de waarde van het recht van gebruik en bewoning van erflaatster met betrekking tot de door haar aan appellant 1 verkochte woning op een rechtens juiste wijze is berekend.
Het hof bestempelt het bedrag van € 180.900 niet als een gift, te meer niet nu in verband daarmee aan erflaatster het levenslang gebruiksrecht toekwam.
De legitieme van geïntimeerden dient dus berekend te worden over de waarde van de activa op de sterfdatum, te vermeerderen met de giften ten bedrage van € 311.955, te verminderen met de schulden op de sterfdatum.
Uit de bestreden beschikking en het ter zitting verhandelde volgt dat er aan activa per de sterfdatum van erflaatster zijn:
- Woonhuis € 175.000
- Bank tegoeden € 35.746
- Waarde aandelen € 178.000
Totaal € 388.746
Voor de berekening van de legitimaire massa dient bij de activa te worden opgeteld de giften aan appellant 1 ten bedrage van € 311.955 en aan appellant 2 ten bedrage van € 40.000.
De actiefzijde van de balans van erflaatster bedraagt dan € 740.701.
Ten aanzien van de waarde van het woonhuis is het hof uitgegaan van de waarde die geïntimeerden hebben genoemd.
Ter zitting hebben appellanten opgemerkt dat van deze waarde moet worden uitgegaan.
De door geïntimeerden ter zitting genoemde verkoopwaarde van dit huis (minus kosten) van € 235.507 uit 2022 of 2023 kan hier niet worden gehanteerd, nu dit niet de waarde op de sterfdatum (in 2017) betreft.
Bij de waarde van de aandelen wordt geen rekening gehouden met een (eventuele) AB-claim, nu partijen het eens blijken te zijn over de waarde van € 178.000, daarbij over de (hoogte van een) AB-claim niets is gesteld en eventuele (algemene) opmerkingen die daarover op zitting nog worden gedaan voorts als tardief worden aangemerkt.
Nu vaststaat dat de nalatenschap van erflaatster (zonder de giften) negatief is, kunnen geïntimeerden ten aanzien van hun legitimaire vorderingen overgaan tot inkorting van de aan appellanten gedane giften van € 311.955 respectievelijk € 40.000.
Het hof zal derhalve de door geïntimeerden gevorderde verklaring van recht dat geïntimeerden door middel van inkorting van genoemde giften op de voet van de artikelen 4:89 en 90 BW aanspraak kunnen maken op betaling van genoemd bedrag.
Het hof zal in deze verklaring de gevraagde wettelijke rente niet meenemen, gelet op het bepaalde in artikel 4:89 lid 1 jo. 84 BW.
Het hof overweegt voorts dat deze inkorting niet als onredelijk in de zin van artikel 4:90 lid 1 BW kan worden aangemerkt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.