De Rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de rechtsverhouding tussen de legitimaris als schuldeiser van de nalatenschap en de erfgenamen bij de uitvoering van een testament.
De erflater (vader) is op 3 oktober 2018 op 90-jarige leeftijd overleden.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat het testament van vader aldus moet worden uitgelegd dat de door het beroep op de legitieme door eisers vrijgevallen erfdelen naar evenredigheid aanwassen bij gedaagden (dat wil zeggen in de verhouding 1:3) en/of dat de inkorting ten behoeve van de legitimarissen eerst bij gedaagde 1 dient plaats te vinden.
Erfrecht. Legitieme. Uitleg van een testament. Verklaring voor recht. Uitvoering van testament. Belang. Rechtsverhouding. Legitimaris als schuldeiser van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Zowel de notaris als gedaagde 1 heeft het verweer gevoerd dat eisers geen belang hebben bij de door hen primair gevorderde verklaringen voor recht over de uitleg van het testament (in de zin van artikel 3:303 BW) en geen onmiddellijk betrokken personen zijn bij de rechtsverhouding waarin deze uitleg een rol speelt (in de zin van artikel 3:302 BW). Dit verweer slaagt.
Daartoe is het volgende redengevend.
Hoewel eisers in het testament zijn benoemd tot erfgenamen in de nalatenschap, in welke hoedanigheid zij voldoende belang in de hiervoor bedoelde zin bij deze vorderingen zouden hebben, staat vast dat eisers ieder voor zich een beroep op hun legitieme portie hebben gedaan.
Als gevolg daarvan zijn zij als legitimaris nog slechts schuldeiser, maar geen erfgenaam meer (zie Asser/Perrick 4 2013/297 en Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1837 e.v. (MvT bij art. 4.3.3.1 (art. 63) met verwijzing naar p. 1883 (MvT bij de artt. 4.3.3.8a-8g en 11-13 (artt. 71 e.v.).
Omdat zij dus geen erfgenaam in de nalatenschap meer zijn, hebben zij ook geen belang meer bij de juiste uitvoering van het testament in de zin van artikel 3:303 BW, noch zijn zij nog langer onmiddellijk bij deze rechtsverhouding betrokken in de zin van artikel 3:302 BW.
Aan het gegeven dat zij de hoedanigheid van erfgenaam eerder wel hebben gehad, kunnen zij geen belang in de genoemde zin bij de door hen ingestelde vorderingen meer ontlenen.
Daaraan kan – voor de goede orde – worden toegevoegd dat eisers als schuldeiser ook geen eigen financieel belang bij deze vorderingen naar voren hebben gebracht, waarbij geldt dat deze vorderingen erop zijn gericht dat de in hun visie onjuiste uitvoering aan het testament is gegeven.
Zij hebben immers geen nadeel of schade naar voren gebracht die daarvan (dat de in hun visie onjuiste uitvoering aan het testament is gegeven) het gevolg is.
Het feit dat eisers nog wel steeds afstammelingen van vader zijn levert evenmin een belang in de hiervoor genoemde zin bij de juiste uitvoering van het testament op.
In zoverre is hun belang immers zuiver emotioneel.
Weliswaar kan een dergelijk emotioneel belang in bepaalde uitzonderlijke gevallen een rechtens relevant procesbelang opleveren, maar dat geldt dat niet voor de onderhavige situatie, waarin eisers zelf hebben besloten om tegen de uitdrukkelijke wens van de erflater (in het testament) in een beroep te doen op hun legitieme portie.
Het voorgaande betekent dat eisers geen relevant procesbelang hebben bij alle door hen primair gevorderde verklaringen voor recht.
Deze vorderingen worden daarom afgewezen
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.