De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of, en vanaf welk moment, rente was verschuldigd uit hoofde van de legitieme.

Eiser en gedaagde zijn broer en zus.

Eiser vordert in deze procedure van gedaagde betaling van de legitieme portie in de nalatenschappen van hun beide ouders.

Eiser en gedaagde zijn het niet eens over de hoogte van het bedrag dat moet worden betaald.

Eiser en gedaagde zijn de twee kinderen uit het huwelijk van A (moeder) en B (vader).

Eerst is moeder overleden. Zij heeft eiser onterfd, gedaagde en haar echtgenoot tot de enige erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling op haar nalatenschap van toepassing verklaard.

Daarna is vader overleden. Ook hij heeft in zijn testament eiser onterfd en gedaagde tot enig erfgenaam en executeur benoemd.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank geconstateerd dat gedaagde en eiser het op een groot aantal geschilpunten eens zijn geworden.

De rechtbank heeft bepaald dat eiser een nieuwe berekening moet maken aan de hand van de in het proces-verbaal geformuleerde uitgangspunten.

Eiser heeft een nieuwe berekening gemaakt en gedaagde heeft hierop gereageerd.

Uit de akten volgt dat partijen nog op één punt van mening verschillen.

Dat is de vraag vanaf welke datum eiser recht heeft op de samengestelde rente over de legitieme portie in de nalatenschap van moeder.

Eiser stelt dat de vordering per datum van overlijden van moeder rentedragend is en hij vordert daarom een bedrag van € 3.071,33 aan samengestelde rente.

Gedaagde meent dat hij pas vanaf de datum van overlijden van vader recht heeft op de samengestelde rente omdat in artikel 6 van het testament van moeder een niet-opeisbaarheidsclausule is opgenomen en zij gaat uit van een bedrag van € 1.490,28 aan samengestelde rente.

Als gevolg hiervan hebben zij de legitieme portie in de nalatenschap van moeder anders berekend.

Dit heeft weer gevolgen voor de berekening van de legitieme portie in de nalatenschap van vader.

Immers, de schuld aan de nalatenschap van erflaatster komt op een ander bedrag uit.

Erfrecht. Legitieme. Uitleg van een testament. Afstammeling of erfgenaam? Opeisbaarheid. Rentevergoeding. Samengestelde rente?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat in het testament de woorden “afstammelingen” en “erfgenamen” door elkaar worden gebruikt en dat ze niet eenduidig worden gehanteerd.

Daarom zal de rechtbank het testament objectief, aan de hand van de taalkundige betekenis, moeten uitleggen.

Degenen die hem opgesteld hebben kunnen immers niet meer verklaren wat ze bedoeld hebben.

Het begrip afstammelingen is ruimer dan het begrip erfgenamen.

De afstammelingen zijn de bloedverwanten in neerdalende lijn, dus de kinderen en kleinkinderen.

Gedaagde en eiser zijn beiden de afstammelingen.

De erfgenamen zijn degenen die gerechtigd zijn tot de nalatenschap.

In dit geval is dat alleen gedaagde.

Gedaagde beroept zich op de niet-opeisbaarheidsclausule van artikel 6.

Artikel 6 bevat enkele specifieke bepalingen over de legitieme portie en de volgorde van inkorting.

De rechtbank is van oordeel dat dit artikel geen betrekking heeft op de onterfde eiser maar op gedaagde.

Dit leidt de rechtbank af uit de verwijzing naar artikel 3 onder het kopje “niet-opeisbaarheidsclausule”.

Daarin is namelijk bepaald dat in afwijking van artikel 3 de eventuele ten laste van vader komende vorderingen ter zake van de legitieme eerst opeisbaar zijn na zijn overlijden.

Artikel 3 voorziet in de situatie dat gedaagde, in weerwil van haar benoeming tot erfgenaam, de nalatenschap verwerpt en aanspraak maakt op haar legitieme vordering.

Een aanknopingspunt daarvoor is te vinden in het eerste gedeelte van artikel 6.

Daarin is namelijk bepaald dat als eerste zal worden ingekort op het aan de afstammelingen van degene die aanspraak maakt op de legitieme vordering toekomende gedeelte.

In artikel 2 van het testament is echter bepaald dat niet alleen eiser maar ook zijn afstammelingen zijn uitgesloten van opvolging in de nalatenschap van moeder.

Verder ligt deze uitleg voor de hand omdat in artikel 4 al een regeling is opgenomen over de opeisbaarheid van de vorderingen.

Omdat de in artikel 6 beschreven situatie zich niet voordoet, zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 4 van het testament.

Daarin is voor de vorderingen van de afstammelingen bepaald dat zowel de vordering als de rente opeisbaar zijn bij, in dit geval, het overlijden van vader.

Zowel gedaagde als eiser hebben een vordering op de nalatenschap van moeder.

Gedaagde heeft haar vordering als erfgenaam in de nalatenschap van moeder (het kindsdeel) en eiser heeft een vordering uit hoofde van de legitieme portie.

Voor beide vorderingen geldt dat in artikel 4 is bepaald dat een samengestelde rente is verschuldigd en dat zowel de vordering als die rente pas opeisbaar zijn als vader, voor zover hier van belang, is overleden.

Partijen zijn hier beiden niet van uitgegaan in hun berekeningen.

Het standpunt van gedaagde houdt in dat zijzelf wél aanspraak zou hebben op de samengestelde rente vanaf de datum van overlijden van moeder wat het kindsdeel betreft, maar dat eiser voor zijn legitieme portie die aanspraak niet heeft.

Eiser is er bij zijn berekening vanuit gegaan dat beiden recht hebben op de samengestelde rente vanaf overlijden van moeder.

De rechtbank zal hierna de legitieme portie berekenen vanuit het uitgangspunt dat beiden pas recht hebben op de samengestelde rente vanaf de datum van overlijden van vader.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, over het berekenen van de legitieme, of rente in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.