De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de reikwijdte van het recht van de legitimaris op informatie ter berekening van de legitieme.
Erflaatster heeft eveneens bij testament van 25 oktober 2017 over haar nalatenschap beschikt en eiser en B onterfd.
Gedaagde is benoemd tot erfgenaam en executeur.
Bij brief van 24 oktober 2022 hebben eiser en B een beroep gedaan op hun legitieme portie.
Eiser vordert in het incident – op de voet van artikel 4:78 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) – dat gedaagde wordt veroordeeld, binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, tot overlegging van de volgende bescheiden:
-een overzicht van de persoonlijke lijfgoederen (waaronder juwelen) alsmede overige roerende zaken van erflater en erflaatster, alsmede de daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden;
-alle overige stukken uit de administratie van erflater en erflaatster die van belang zijn voor de omvang van de legitieme porties van eiser.
Erfrecht. Legitieme. Recht op informatie ter berekening van de legitieme. Verstrekken van informatie door de executeur. Uitleg bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’.
De rechter oordeelt als volgt.
Het recht van een legitimaris op afgifte van bescheiden moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 4:78 lid 1 BW.
Dit artikellid bepaalt:
“Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.”
Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ volgt dat dit begrip zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie (vgl. o.a. gerechtshof Den Haag, 1 september 2020, GHDHA:2020:2329).
Bij de beoordeling is verder van belang artikel 4:65 BW, dat bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.
Met betrekking tot de persoonlijke lijfgoederen (waaronder juwelen) van erflater en erflaatster, alsmede de daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden, constateert de rechtbank dat gedaagde – anders dan haar verklaring over de sieraden in haar brief van 13 oktober 2023 – bij antwoord in het incident een overzicht heeft gegeven van de bij erflater en erflaatster in bezit zijnde sieraden.
Daaruit volgt dat een zegelring, een armband en een gouden ketting reeds bij leven werden geschonken aan de kleinkinderen.
Een dameshorloge werd door erflaatster gedragen tijdens de crematie.
Voor het overige waren ten tijde van het overlijden van erflaatster nog aanwezig: twee trouwringen, een hangertje in de vorm van een kruisje en twee damesringen, van welke sieraden gedaagde een foto heeft overgelegd.
Van deze sieraden zijn geen aankoopbewijzen meer voorhanden.
Nu eiser niet nader onderbouwt welke specifieke stukken hij met betrekking tot de persoonlijke lijfgoederen (de sieraden) wenst te zien, gaat de rechtbank ervan uit dat gedaagde hiermee aan deze vordering heeft voldaan, zodat de rechtbank dit deel van het gevorderde zal afwijzen.
Eiser licht in de dagvaarding niet toe wat hij bedoelt met overige roerende zaken anders dan inboedelzaken waarvan hij kennelijk op de hoogte is.
De rechtbank zal daarom ook dit deel van de vordering afwijzen.
Voor wat betreft de door eiser gevorderde afschriften van, dan wel inzage in alle overige stukken uit de administratie van erflater en erflaatster is de rechtbank van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen.
Het begrip ‘alle overige stukken’ is immers te vaag.
Voor zover dit deel van de vordering ziet op bankafschriften van erflater en erflaatster, overweegt de rechtbank dat deze weliswaar van belang zijn voor de berekening van de legitimaire portie, maar dat uit de door eiser gegeven onderbouwing van zijn vordering volgt dat hij over nagenoeg alle bankafschriften beschikt.
Niet gesteld of onderbouwd is welke bankafschriften dan nog zouden ontbreken.
Uit de berekeningen van eiser volgt verder ook dat hij heeft kunnen nagaan of en welke giften er (zouden) zijn gedaan zodat niet althans onvoldoende is gebleken welk belang eiser heeft bij overige stukken uit de administratie.
Nu de vorderingen in het incident van eiser worden afgewezen, bestaat er geen aanleiding om een dwangsom op te leggen en zal de rechtbank ook deze vordering afwijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.