Het Gerechtshof Den Haag heeft op 20 september 2022 uitspraak gedaan over de reikwijdte van de informatieplicht van de erfgenamen en de executeur tegenover de legitimaris.

Artikel 4:78 lid 1 BW houdt in dat een legitimaris die niet erfgenaam is – zoals geïntimeerde – tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft.

De erfgenamen en de executeurs moeten hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken.

Deze informatieverplichting moet, gelet op de wetsgeschiedenis, zo ruim mogelijk worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

In dit verband is artikel 4:65 BW van belang: de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. In artikel 4:67 BW is bepaald welke giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen: dit betreft onder meer giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris is van de erflater.

In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of de informatieverplichting van appellanten zo ver gaat dat zij de door geïntimeerde gevorderde bescheiden moeten verstrekken.

Appellanten stellen dat de voorzieningenrechter het informatierecht te ruim heeft uitgelegd, en volgens geïntimeerde heeft de voorzieningenrechter juist een te beperkte uitleg gehanteerd.

Erfrecht. Legitieme. Recht op informatie. Reikwijdte van de informatieverplichting van de erfgenamen en de executeur tegenover de legitimaris. Kort geding. Spoedeisend belang.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij vorderingen tot het verstrekken van bescheiden als door geïntimeerde gedaan, zijn – in ieder geval ten aanzien van een deel van de bescheiden – de bewaartermijnen die de banken en de belastingdienst in acht nemen van belang.

Hierdoor bestaat het risico dat door tijdsverloop informatie verloren gaat, en geïntimeerde heeft in zoverre een spoedeisend belang bij haar vordering.

Het hof begrijpt dat de grief van appellanten ook niet ziet op het spoedeisend belang bij deze bescheiden.

Het hof volgt appellanten niet in hun stelling dat een andere afweging gemaakt moet worden voor bescheiden waarvoor dit risico niet zou gelden.

Nog afgezien van de vraag of een dergelijk onderscheid duidelijk te maken is, is het om proceseconomische redenen niet wenselijk om de vordering van geïntimeerde deels niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat zij die in een bodemprocedure aanhangig zou moeten maken.

Het gaat immers om één en dezelfde grondslag voor haar vordering, het informatierecht van artikel 4:78 BW, teneinde geïntimeerde in staat te stellen een berekening te maken van haar legitieme aanspraak voor een eventuele bodemprocedure.

Naar het oordeel van het hof is de informatieverplichting van artikel 4:78 BW niet zo verstrekkend, zoals wel in de literatuur wordt verdedigd, dat de legitimaris steeds recht heeft op dezelfde informatie als de erfgenaam.

Een legitimaris kan niet zonder meer aanspraak maken op het verkrijgen van inzicht in het vermogensverloop over jaren voor het overlijden van erflater.

Maar de legitimaris moet wel in de gelegenheid worden gesteld na te gaan of en tot welk bedrag giften zijn gedaan die van belang zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa.

Bankafschriften kunnen voor de beantwoording van deze vraag van belang zijn.

De legitimaris heeft er recht op en belang bij om dit te kunnen nagaan, welk belang daarmee ook anders is dan het belang van de erfgenamen (GHDHA:2020:2329).

Hoever de informatieplicht reikt en welke stukken die omvat moet per geval beoordeeld worden.

Zoals hiervoor overwogen geven de transacties die tijdens leven tussen erflaters en appellanten hebben plaats gevonden aanleiding tot vragen en komt aan geïntimeerde het recht toe bepaalde bescheiden te vorderen om na te gaan of er sprake is van meer giften dan opgegeven, zodat zij haar legitieme portie kan berekenen.

Appellanten zijn dan ook veroordeeld bescheiden te verstrekken die betrekking hebben of duidelijkheid kunnen geven over deze transacties.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevraagde stukken onder j. tot en met u. in beginsel niet onder het bereik van artikel 4:78 BW vallen.

Immers, de vorderingen strekken er toe dat appellanten tegenover geïntimeerde volledig inzichtelijk zouden moeten maken hoe zij hun eigen woningen en onroerend goed hebben gefinancierd en verworven.

Daarbij zijn ook hun echtgenoten betrokken.

Op grond van artikel 4:78 BW kunnen inlichtingen over de nalatenschap worden gevraagd.

De financiële handel en wandel van appellanten (en hun echtgenoten) valt hier niet onder.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.