De Rechtbank Gelderland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een tussenkomst in het geding door de legitimaris mogelijk was.
Eiser vordert dat hem wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen dan wel zich te voegen.
Eiser stelt dat hij belang heeft bij de tussenkomst omdat er in de hoofdzaak vorderingen ten behoeve van de nalatenschap zijn ingesteld die de omvang en samenstelling van de legitimaire massa beïnvloeden.
Voor de vaststelling van eisers vordering uit hoofde van zijn legitieme portie is verder van belang of de betalingen die het onderwerp zijn van de hoofdzaak als gift worden gekwalificeerd, aldus eiser.
Eiser wil, zo begrijpt de rechtbank, drie voorwaardelijke vorderingen instellen.
Indien de vorderingen in conventie in de hoofdzaak worden toegewezen, wil eiser een vordering op grond van artikel 4:223 lid 2 BW instellen tegen verweerder.
Op grond van dit artikel kan een schuldeiser van de nalatenschap zich tijdens de vereffening tot de rechtbank wenden om zijn vordering te laten vaststellen.
In het geval dat de vorderingen van eiser in de hoofdzaak worden afgewezen, wil eiser verklaringen voor recht vorderen over welke betalingen waarover de vorderingen van eiser in de hoofdzaak gaan giften zijn.
Daarnaast wil eiser dan vorderingen instellen tegen gedaagden op grond van artikel 4:89 BW.
Dit zou een vordering tot inkorting van giften zijn die kan worden ingesteld als de nalatenschap onvoldoende blijkt om de legitieme portie van eiser te voldoen.
Subsidiair verzoekt eiser zich te mogen voegen omdat afwijzing van de vorderingen van eiser tot gevolg heeft dat de legitimaire massa kleiner wordt, althans de legitimaire massa en daarmee de legitieme portie zal groter worden als de vorderingen van eiser worden toegewezen.
Eiser concludeert dat de tussenkomst dan wel voeging moet worden toegestaan.
Gedaagde voert verweer.
Het standpunt van gedaagde komt erop neer dat eiser geen belang heeft bij tussenkomst of voeging omdat hij het recht op zijn legitieme portie is verloren doordat hij de nalatenschap heeft verworpen zonder de contantenverklaring als bedoeld in artikel 4:63 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) af te leggen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Erfrecht. Legitieme. Giften. Inkorting. Procesrecht. Tussenkomst. Voeging. Incident tot tussenkomst in het geding door de legitimaris. Voldoende belang bij tussenkomst? Toetsing. Verwerping legitieme zonder contantenverklaring?
De rechter oordeelt als volgt.
Het geschil in conventie in de hoofdzaak gaat over de vraag of schenkingen die erflaatster aan erflater en gedaagden heeft gedaan zijn of kunnen worden vernietigd en of dat moet leiden tot (terug)betalingen aan de boedel.
In de hoofdzaak vordert gedaagde betaling door eiser van een vordering die gedaagde, als erfgenaam van erflater, zou hebben op de nalatenschap van erflaatster, dan wel vaststelling van de vordering van gedaagde ex artikel 4:223 lid 2 BW.
Eiser heeft primair gevorderd dat hem wordt toegestaan te mogen tussenkomen in de hoofdzaak, subsidiair vraagt hij zich te mogen voegen aan de zijde van eiser.
Artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.
Als uitgangspunt geldt dat een partij kan vorderen te mogen tussenkomen
“indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (…) Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768).
Als de vorderingen van eiser in de hoofdzaak worden toegewezen, wordt de legitimaire massa waarover de legitieme portie wordt berekend groter.
Daarmee staat vast dat de positie van de legitimaris wordt benadeeld indien de vorderingen van eiser worden afgewezen.
Eiser wil thans als legitimaris zelf vorderingen instellen om benadeling van die positie te voorkomen.
Niet gesteld of gebleken is dat de goede procesorde in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot tussenkomst.
Het voorgaande brengt mee dat de primaire vordering tot tussenkomst toewijsbaar is, mits eiser legitimaris is.
Gedaagde voert als verweer dat eiser geen beroep meer kan doen op zijn legitieme portie.
Eisers zijn daarentegen van mening dat eiser wel degelijk legitimaris is.
De vraag die voorligt is of eiser tijdig en/of op de juiste wijze een beroep heeft gedaan op zijn legitieme.
Op grond van artikel 4:63 lid 3 BW verliest degene die de nalatenschap verwerpt zijn recht op de legitieme portie, tenzij hij bij het verwerpen tevens verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen, de zogenaamde contantenverklaring.
Volgens verweerder moet dit artikel zo worden uitgelegd dat de contantenverklaring gelijktijdig met de verwerping moet worden gedaan en dat deze verklaring de gezamenlijke erfgenamen ook op dat moment moet hebben bereikt.
Nu gedaagden, die door de verwerping erfgenaam werden, op het moment van de verwerping niet de contantenverklaring hebben ontvangen, heeft eiser zijn recht op de legitieme portie verloren, aldus gedaagden.
De Commissie Erfrecht (WPNR 2010/6866, p. 888) is, zoals aangehaald door verweerder, van mening dat het woord ‘bij’ in artikel 4:63 lid 3 BW als tijdsbepaling is bedoeld.
De rechtbank is het daarmee eens.
Dat betekent dat eiser tegelijkertijd met het afleggen van de verwerpingsverklaring, moet hebben verklaard dat hij zijn legitieme portie wens te ontvangen.
Uit het stuk blijkt dat eiser dit heeft gedaan.
Gedaagde voert als verweer aan dat de contantenverklaring geen werking heeft omdat deze gedaagden (de toenmalige erfgenamen) niet heeft bereikt bij de verwerping (artikel 3:37 lid 3 BW).
Dit verweer slaagt niet.
Uit artikel 4:63 lid 3 BW volgt slechts dat de verklaring op het moment van het verwerpen moet worden gedaan.
Of de verklaring werking had tegenover gedaagden ten tijde van de verwerping, is niet relevant.
Het gaat erom dat de contantenverklaring de erfgenamen heeft bereikt binnen de termijn waarop een beroep op de legitieme portie kan worden gedaan.
Dat kan ingevolge artikel 4:85 lid 1 BW tot vijf jaar na het overlijden van erflaatster.
Nu vast staat dat de reeds bij de verwerping door eiser gedane contantenverklaring, de huidige erfgenamen heeft bereikt, terwijl de termijn van artikel 4:85 lid 1 BW nog niet is verstreken, heeft eiser een geldig beroep op zijn legitieme portie gedaan.
Slotsom van het voorgaande is dat het verweer van verweerder dat eiser geen belang bij tussenkomst of voeging heeft omdat hij geen legitimaris is, niet slaagt.
De primaire vordering tot tussenkomst zal worden toegewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.