Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 12 april 2022 uitspraak gedaan over de bewijslevering van een geldlening vanwege het vaststellen van de legitimaire massa.

Geïntimeerde en appellant zijn de enige kinderen uit het huwelijk van de ouders.

In 2015 is de moeder van partijen als langstlevende ouder overleden.

De moeder heeft bij testament geïntimeerde aangewezen als enig erfgenaam en hem benoemd tot executeur.

De geïntimeerde heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.

Ook heeft hij de executeursbenoeming aanvaard.

Appellant heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

Het hof stelt vast dat het niet aan een legitimaris is om vast te stellen of en zo ja wanneer de executele is beëindigd.

In dit geval zijn de executeur en de enige erfgenaam in één persoon verenigd.

Een legitimaris die geen erfgenaam is, kan op grond van artikel 4:78 BW tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft.

Dat is in dit geval steeds geïntimeerde.

Toewijzing van een vordering die op deze bepaling is gebaseerd impliceert dan ook geen vaststelling over het al dan niet beëindigd zijn van de executele en het beheer.

Andere omstandigheden die de stelling van appellant op dit punt zouden kunnen onderbouwen zijn door hem niet gesteld of anderszins gebleken.

Op de vordering van appellant ex artikel 4:78 BW is bij eindvonnis van 31 oktober 2018 beslist met toewijzing van die vordering ten aanzien van een aantal daarin vermelde bescheiden met betrekking tot de financiële aspecten van de nalatenschappen.

Die vordering en de vraag of en in hoeverre geïntimeerde aan de veroordeling heeft voldaan zijn in dit hoger beroep niet aan de orde.

Wel aan de orde is een commentaar van appellant op de omvang van de boedel in die zin dat daaraan een post moet worden toegevoegd en dat geïntimeerde dat ten onrechte heeft nagelaten.

De stelplicht daarvan rust op appellant en dat geldt, in geval van voldoende gemotiveerde betwisting ervan door geïntimeerde, ook voor de bewijslast.

Die situatie doet zich hier voor, zodat de rechtbank terecht met toepassing van artikel 150 Rv aan appellant een bewijsopdracht heeft verstrekt.

Appellant is er vervolgens ook naar het oordeel van het hof niet in geslaagd dat bewijs te leveren en heeft ook geen voldoende gespecificeerd nader bewijsaanbod gedaan, zodat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschappen en de legitieme portie van appellant met de door genoemde post terecht geen rekening is gehouden.

De legitieme portie van appellant komt daardoor uit op het bedrag van € 34.000,-.

Erfrecht. Legitieme portie en geldlening tussen broers. Bewijslevering van de lening. Opeisbaarheid van de lening. Verrekening mogelijk?

De rechter oordeelt als volgt.

De grieven betreffen de door appellant betwiste geldlening van € 40.000,- uit 2008.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 31 oktober 2018 geoordeeld dat appellant het bestaan van de geldlening heeft erkend in de e-mailwisseling op 11 mei 2016 met assurantieadviseur B.

Deze e-mailwisseling is bij de feiten aangehaald.

In dat tussenvonnis heeft de rechtbank het subsidiaire verweer van appellant dat de vordering van geïntimeerde is verjaard, verworpen en aangekondigd dat deze vordering bij eindvonnis zal worden toegewezen, waarbij de betaling van dit bedrag zal plaatsvinden via verrekening met de legitieme portie van appellant.

Dienovereenkomstig is in het eindvonnis van 18 maart 2020 beslist.

Naar het oordeel van het hof kan vooralsnog niet als vaststaand worden aangenomen dat geïntimeerde in 2008 een bedrag van € 40.000,- in contanten aan appellant heeft uitgeleend.

Over de omstandigheden waaronder hij de gestelde lening heeft verstrekt heeft geïntimeerde nauwelijks feitelijke gegevens verstrekt (datum, bepaling hoogte bedrag, administratieve verwerking).

De e-mailwisseling op 11 mei 2016 biedt weliswaar een zekere onderbouwing voor de stelling van geïntimeerde dat hij op enig moment een lening aan appellant heeft verstrekt, maar niet meer dan dat.

Het hof leest hierin in ieder geval niet een erkenning van een lening van € 40.000,-.

Van enige afspraken over terugbetaling en rentevergoeding in periode tot aan deze e-mails is niets gebleken.

Eerst bij brief van 1 december 2016 is daarover een conceptovereenkomst aan appellant voorgelegd, maar die is niet door hem getekend.

Bij antwoordakte heeft geïntimeerde aangiften inkomstenbelasting over 2018 en 2019 waarin een vordering van € 30.000,- is opgenomen.

Appellant heeft hier nog niet op kunnen reageren.

Vooralsnog ziet het hof niet in dat hierin bewijs voor de gestelde lening ligt besloten.

Op geïntimeerde rusten stelplicht en bewijslast van de gestelde lening.

Aan zijn stelplicht heeft hij tot op zekere hoogte wel voldaan, maar voldoende bewijs heeft hij tegenover de betwisting door appellant vooralsnog niet geleverd.

Het hof zal hem overeenkomstig zijn bewijsaanbod tot bewijslevering toelaten.

De vraag naar het bestaan van de lening zou geen beantwoording behoeven, indien het beroep van appellant op verjaring van de gestelde lening zou slagen.

Dat is evenwel niet het geval.

Het gaat hier – volgens de stellingen van geïntimeerde – om een renteloze lening tussen familieleden vanwege financiële problemen bij de ontvanger van de lening.

Onder die omstandigheden ligt in de overeenkomst besloten dat opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden.

Dat betekent dat ook niet kan worden aangenomen dat de lening terstond opeisbaar is geworden en dat de termijn van vijf jaar voor verjaring van de vordering tot terugbetaling reeds op de dag na het verstrekken van de lening is ingegaan.

Het hof tekent hierbij voor de duidelijkheid aan dat op de gestelde lening het recht van toepassing zoals dit in 2008 gold, met inbegrip van artikel 7A:1798 BW waarin voor dergelijke gevallen de bepaling van het moment van terugbetaling is geregeld.

Titel 14 van boek 7A BW, waarin artikel 7A:1798 BW is opgenomen, per 1 januari 2017 is vervallen (Wet van 5 oktober 2016, houdende aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek met de nieuwe afdelingen 7.2a.2 en 7.2b.1 en 2 en een nieuwe titel 7.2c (Consumentenkrediet-overeenkomsten, goederenkrediet en geldlening), Stb. 2016, 360, artikel IV B.

Uit artikel XI van deze wet in samenhang met het daarbij ingevoerde artikel 200 van de Overgangswet NBW volgt dat het nieuwe recht – titel 2C – niet van toepassing is op overeenkomsten die voor 1 januari 2017 zijn gesloten.

De grief die hierop ziet, wordt verworpen.

De volgende grief heeft betrekking op de door de rechtbank toegepaste verrekening van de legitieme portie met de lening.

Uit het voorgaande blijkt dat dat de legitieme portie van appellant het door geïntimeerde berekende bedrag van € 34.000,- beloopt.

Geïntimeerde heeft de onderhavige procedure ingesteld als erfgenaam van de ouders van partijen en, wat betreft de gestelde lening, pro se.

Wanneer de gestelde geldlening komt vast te staan is appellant het bedrag van € 40.000,- aan geïntimeerde verschuldigd.

Dat bedrag vloeit in zijn vermogen.

Geïntimeerde dient aan appellant het bedrag van de legitieme portie te betalen.

Hij dient dat uit zijn vermogen – waarvan de nalatenschappen inmiddels deel uitmaken – te voldoen.

Door appellant is niet aannemelijk gemaakt dat verrekening van beide posten niet kan plaatsvinden.

De grief wordt daarom verworpen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.