De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 9 maart 2022 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van een in aanmerking te nemen gift bij de berekening en vaststelling van de legitieme.
Eiser en gedaagde zijn broers.
Hun vader is op 2 oktober 1990 overleden.
Vader was op het moment van overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met moeder van partijen.
Vader heeft bij testament van 28 mei 1990 over zijn nalatenschap beschikt door middel van een ouderlijke boedelverdeling.
Moeder, eiser en gedaagde zijn gezamenlijk en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd.
In 1991 is successieaangifte gedaan.
Aan de erfgenamen is geen aanslag opgelegd.
Moeder is op 19 september 2019 overleden.
Zij heeft bij testament van 8 juni 2011 over haar nalatenschap beschikt.
Moeder heeft gedaagde tot enig erfgenaam en executeur benoemd.
Moeder heeft eiser als erfgenaam uitdrukkelijk uitgesloten.
Gedaagde heeft de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard.
In 2019/2020 is aangifte erfbelasting gedaan.
Nadat moeder was overleden heeft eiser zijn broer aangeschreven ter verkrijging van informatie om de omvang van het vaderlijk erfdeel en zijn legitieme portie uit de nalatenschap van moeder te kunnen bepalen.
Gedaagde heeft geweigerd inzage te geven of anderszins medewerking te verlenen.
Eiser vordert ook uitbetaling van zijn legitieme portie uit hoofde van de nalatenschap van moeder.
Vast staat dat zijn legitieme portie een kwart van de legitimaire massa bedraagt.
Tussen partijen is de omvang van de legitimaire massa in geschil.
Erfrecht. Legitieme. Ouderlijke boedelverdeling. Berekening van de legitieme. Erfbelasting. In aanmerking te nemen giften. Geldlening. Kwijtschelding? Kosten van levensonderhoud. Bewijslast.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de legitimaire massa wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met schulden (artikel 4:65 e.v. BW).
De rechtbank zal voor de goederen en schulden aansluiting zoeken bij de in 2019/2020 gedane aangifte erfbelasting.
Hierna zal worden beoordeeld of de door partijen voorgestane correcties overgenomen moeten worden.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de waarde van de inboedel op € 5.000,00 moet worden gesteld in plaats van € 750,00.
De rechtbank kan hem daar niet in volgen.
Het moge zo zijn dat de waarde van de inboedel ten tijde van het overlijden van vader vele malen hoger was, maar niet zonder meer kan aangenomen worden dat de inboedel na verloop van bijna dertig jaren een zo groot deel van zijn waarde behouden heeft.
Eiser heeft niet toegelicht hoe hij precies tot het door hem voorgestane bedrag gekomen is, terwijl er volgens gedaagde in 2019 slechts nog sprake was van een eenvoudige inboedel.
De rechtbank zal daarom uitgaan van het bedrag van € 750,00.
Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd dat de banksaldi niet € 1.666,00 bedragen, maar € 3.666,00 vanwege het saldo op de aan de bankrekening gekoppelde garantrekening.
Dit is gunstig voor eiser.
De rechtbank zal daarom uitgaan van het bedrag van € 3.666,00.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het restant van de woningopbrengst van € 59.730,66 tot de bezittingen van moeder behoort.
Gedaagde heeft onweersproken aangevoerd dat dit bedrag is aangewend ter aflossing van de hypothecaire schuld van om en nabij datzelfde bedrag.
Gelet op het feit dat de woningoverdracht ongeveer een half jaar voorafgaande aan het overlijden van moeder heeft plaatsgevonden en de hypothecaire schuld niet voorkomt op de aangifte erfbelasting, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze stelling van gedaagde.
De rechtbank zal het restant van de woningopbrengst dan ook verder buiten beschouwing laten.
De rechtbank is, anders dan gedaagde kennelijk aanvoert, van oordeel dat de notariskosten niet tot de legitimaire massa behoren.
De rechtbank stelt op basis van de overgelegde declaratie vast dat het gaat om kosten van executele (als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder d BW).
Dergelijke kosten behoren niet tot de in artikel 4:65 BW opgesomde schulden.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de vaderlijke erfdelen van partijen, die de rechtbank zojuist op € 7.233,82 (per kind) heeft vastgesteld, tot de schulden van de nalatenschap van moeder moeten worden gerekend.
Inclusief de rente over de periode van 2 oktober 1990 tot en met 19 september 2019 gaat het om een bedrag van € 19.804,37 (per kind).
Daarmee staat de rechtbank enkel nog voor de vraag welke giften in aanmerking dienen te worden genomen.
Daarover zijn de hierna te bespreken geschilpunten aan de rechtbank voorgelegd.
Gedaagde erkent bij de overdracht van de woning een gift van moeder te hebben ontvangen van € 91.633,69.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het om een geldlening zou gaan omdat dat in de nota van afrekening vermeld is.
De leveringsakte maakt namelijk geen gewag van enige omzetting van de koopsom in een geldlening, maar enkel van een kwijtschelding.
De rechtbank zal dan ook het erkende bedrag als gift in de berekening betrekken.
Volgens eiser ligt er een extra gift besloten in de woningtransactie, bestaande uit het verschil tussen de koopprijs van € 151.000,00 en de marktwaarde die -volgens hem – minstens € 201.000,00 bedroeg.
Gedaagde erkent een dergelijke gift slechts tot aan het bedrag van de WOZ-waarde van € 172.000,00.
Eiser heeft niet nader toegelicht hoe hij precies tot het door hem voorgestane hogere bedrag is gekomen.
Het enkele feit dat hij dat bedrag in het beslagrekest genoemd heeft, maakt nog niet dat van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan.
Het is niet aan de rechtbank om alle producties erop na te slaan om te zien welke stellingen partijen mogelijk hebben willen innemen.
Omdat eiser niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is voor bewijslevering (al dan niet via een deskundige) geen plaats.
De rechtbank zal dan ook slechts het erkende bedrag van € 21.000,00 in de berekening betrekken.
Eiser heeft zich bij zijn eiswijziging op het standpunt gesteld dat gedaagde voor in totaal € 164.263,21 of, subsidiair, € 40.000,00 aan giften heeft ontvangen c.q. onrechtmatig gelden heeft onttrokken vanwege diverse overboekingen die voorafgaande aan het overlijden van moeder ten laste van haar betaalrekening bij de SNS Bank zijn gedaan.
De rechtbank gaat hier niet in mee.
Eiser is blijkens zijn laatste conclusie tot het eerstgenoemde bedrag gekomen door het volledige inkomen van moeder over de vijf jaren voorafgaande aan haar overlijden en het banksaldo in 2014 bij elkaar op te tellen.
De rechtbank vermag niet in te zien dat er helemaal niets van het inkomen en het banksaldo aan moeder ten goede zou zijn gekomen.
Een duidelijke toelichting van de zijde van eiser ontbreekt ter zake.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken, zoals eiser impliceert, dat gedaagde misbruik heeft gemaakt van de geestelijke en lichamelijke aftakeling van moeder.
Dat maakt dat geen grondslag kan worden gevonden om de totale vermogensafname bij moeder mee te nemen bij de berekening van de legitieme portie.
Eventuele bewijsnood aan de zijde van eiser maakt bovendien niet dat gedaagde een rechtsgrond voor elke transactie in de laatste vijf jaren van het leven van moeder zou moeten aandragen.
Voor een zuivere bewijslastomkering ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden ook geen aanleiding.
Voor wat betreft het subsidiair genoemde bedrag volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn standpunt.
Gedaagde heeft onweersproken aangevoerd dat hij een gemeenschappelijke huishouding met moeder voerde, dat hij 24/7 haar mantelverzorger was en dat hij daarvoor zijn werk heeft opgezegd.
Ook heeft gedaagde onweersproken aangevoerd dat het de uitdrukkelijke wens van moeder was om bij leven in te teren op haar vermogen, zodanig dat er zo weinig mogelijk zou overblijven.
Over de uitgaven zelf heeft gedaagde ter zitting verklaard dat hij ervoor gezorgd heeft dat moeder niets tekortkwam en dat het gaat om dingen als de wekelijke boodschappen bij de supermarkt, reparaties, investeringen in de woning, plantjes voor in de tuin en incontinentiematerialen.
Tegen deze achtergrond heeft eiser onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit kan volgen dat de betreffende overboekingen grotendeels, althans voor minstens € 40.000,00, ten goede van gedaagde zijn gekomen.
Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
Dat gedaagde mogelijk ook zelf van de uitgaven geprofiteerd heeft, maakt een en ander niet anders.
De rechtbank is kortom van oordeel dat in de overboekingen geen giften besloten liggen en dat evenmin sprake is van onrechtmatige onttrekkingen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.