De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verklaring tot het inroepen van de legitieme portie
Eiseres en gedaagden zijn broers en zussen van elkaar.
Eiseres vordert dat de rechtbank de legitieme massa vaststelt.
Gedaagde verweert zich tegen het gevorderde omdat eiseres niet binnen de termijn van vijf jaar na het overlijden van vader een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie.
Erfrecht. Legitieme. Inroepen van de legitieme. Vormvereiste voor verklaring? Vervaltermijn. Bewijs.
De rechter oordeelt als volgt.
Art. 4:85 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet uiterlijk binnen vijf jaar na het overlijden van de erflater, heeft verklaard de legitieme portie te willen ontvangen.
Volgens in elk geval gedaagde sub 1 heeft eiseres die ontvangstwens niet binnen vijf jaar geuit.
Vooralsnog ziet de rechtbank niet waarom dit van belang is, omdat de rechtbank het onder I meer subsidiair gevorderde voorshands leest als een abstracte rekenformule, niet als een eis waarbij eiseres haar legitieme vordert.
Partijen zijn immers, zo begrijpt de rechtbank, naar gelijke delen en zonder dat sprake is van legitieme porties, erfgenaam.
Partijen worden in staat gesteld nader te verduidelijken waarom art. 4:85 BW in deze zaak van belang is.
Voor het geval dat art. 4:85 BW in dit geschil een rol speelt, geldt alvast het volgende.
In zijn arrest van 24 juni 2016, HR:2016:1271 heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat een legitimaris zijn bevoegdheid kan uitoefenen door het binnen de termijn afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 4:85 lid 1 BW.
Daaruit lijkt te volgen dat een legitimaris moet stellen en bewijzen dat hij binnen de termijn van vijf jaar na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen (ook zo hof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2019, GHARL:2019:10700).
Er bestaan geen formele vereisten voor de wijze waarop de in art. 4:85 lid 1 BW genoemde verklaring moet worden afgelegd.
Voldoende kan zijn bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de executeur, waar een en ander uit blijkt.
Niet voldoende is in elk geval de door eiseres bij repliek overgelegde productie 10.
Dat is immers een brief van Bureau Inkomsten Beheer van 23 december 2015 gericht aan het kantongerecht alhier.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat het kantongerecht alhier kan worden beschouwd als ontvanger van de in art. 4:85 BW genoemde verklaring.
Ook hierover mogen partijen zich nader over uitlaten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.