Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 maart 2021 uitspraak gedaan over een verzoek om informatie ter vaststelling van de legitieme met betrekking tot gedane schenkingen uit het verleden.
Moeder heeft op 1 juli 2010 haar (laatste) testament opgesteld.
Daarin heeft zij haar zonen ieder voor een gelijk deel tot erfgenamen benoemd, met benoeming van geïntimeerde als executeur.
Appellant heeft zij uitgesloten als erfgenaam en is dus onterfd.
Appellant heeft een beroep gedaan op de legitieme.
Erfrecht. Legitieme. Informatieverstrekking ter vaststelling van de hoogte van de legitieme. Giften. Verzoek om informatie over gedane schenkingen toewijsbaar?
De rechter oordeelt als volgt.
Appellant is een legitimaris die niet ook erfgenaam is.
Artikel 4:78 lid 1 BW bepaalt dat een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.
Artikel 4:67 BW bepaalt dat bij de berekening van de legitieme portie onder andere giften in aanmerking moeten worden genomen die de erflater voor diens overlijden heeft gedaan.
Als het gaat om giften die zijn gedaan langer dan vijf jaar voor het overlijden, komen in beginsel alleen nog giften in aanmerking die zijn gedaan aan afstammelingen-legitimarissen.
Appellant heeft voor zijn vordering tot afgifte van nadere bescheiden aangevoerd dat uit door geïntimeerde overgelegde pagina’s uit belastingaangiften van moeder blijkt (a) dat zij in 1989 fl. 60.415,- aan successierechten heeft betaald en (b) dat zij in 1998 fl. 26.690,- aan rente inkomsten had.
Volgens appellant duidt dit erop dat moeder in 1989 een aanzienlijke schenking heeft ontvangen en dat zij eind jaren negentig beschikte over een aanzienlijk vermogen, tussen de zes en bijna negen ton in guldens.
Appellant merkt daarbij op dat moeder de enig erfgename was van de vermogende mevrouw E (een tante van moeder), die in 1995 is overleden.
Volgens appellant sluiten de door geïntimeerde aan hem verstrekte aangiften inkomstenbelasting vanaf 2010 niet aan op dat vermogen.
Hij vermoedt daarom dat er meer schenkingen door moeder zijn gedaan dan geïntimeerde heeft opgegeven.
In het bijzonder acht hij de aangifte successiebelasting van de erfenis van mevrouw E van belang.
Geïntimeerde heeft verklaard dat hij niet beschikt over meer of andere gegevens dan hij al heeft verstrekt aan appellant.
Als productie bij zijn memorie van antwoord heeft hij nog overgelegd een brief van de Belastingdienst aan hem van 26 november 2019, waarin deze verklaart dat zij geen aangiftes hebben kunnen vinden van schenkingen van mevrouw [erflater] .
Geïntimeerde betwist ook dat er door moeder meer schenkingen zijn gedaan dan hij al heeft opgegeven.
Het hof is van oordeel dat [appellant] tegenover de verklaring van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd (a) dat [geïntimeerde] beschikt over de gegevens waarvan [appellant] de afgifte vordert en (b) dat die gegevens voor [appellant] ook van belang zijn voor het bepalen van zijn legitieme portie.
Daarmee bestaat geen grond voor toewijzing van de vordering.
ad a) Het gaat om bescheiden van lang geleden.
Appellant heeft wel gesteld dat die bescheiden zich nog zullen bevinden in de administratie van geïntimeerde, dan wel dat geïntimeerde daar nog eenvoudig de beschikking over kan verkrijgen (belastingaangiften), maar hij heeft die stelling niet concreet onderbouwd met bescheiden waaruit de juistheid daarvan kan blijken.
ad b) Het vermoeden van appellant dat er door moeder in de periode tot 2010 meer schenkingen zijn gedaan aan afstammelingen dan geïntimeerde heeft opgegeven, vindt onvoldoende grond in de omstandigheid dat moeder eind jaren negentig een aanmerkelijk vermogen gehad moet hebben.
Appellant heeft wel gesteld dat dit vermogen niet aansluit bij haar belastingaangiften vanaf 2010, maar heeft die stelling niet (gemotiveerd) toegelicht, waar dat wel van hem verlangd had mogen worden.
Daar komt bij dat uit de gevraagde (belasting)bescheiden nog niet zal zijn af te leiden of moeder schenkingen heeft gedaan; schenkingen worden normaal gesproken belast bij de ontvanger.
Bovendien, als het vermogen van moeder in de periode van eind jaren negentig tot 2010 inderdaad aanzienlijk mocht zijn afgenomen (wat wel uit belastingbescheiden zou zijn af te leiden), kunnen daar, zeker gelet op het grote tijdsverloop, diverse oorzaken voor zijn en duidt een afname van het vermogen er op zichzelf nog niet op dat er ook schenkingen zijn gedaan aan afstammelingen, die voor de berekening van de legitimaire massa relevant zijn.
Het hof heeft in het dossier en de stellingen van appellant verder ook onvoldoende aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat dergelijke schenkingen wel zijn gedaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.