De Rechtbank Rotterdam heeft op 24 maart 2021 uitspraak gedaan over het recht van de legitimaris op informatie die ter vaststelling van de omvang van de legitieme benodigd is.
Het gaat in deze zaak om het volgende: eiser is bij testament van 10 april 2007 onterfd door zijn – op 29 juni 2018 overleden – vader (hierna: erflater).
Gedaagde was de levenspartner van erflater (geen huwelijk of geregistreerd partnerschap). Gedaagde is niet de moeder van eiser.
Erflater en gedaagde hebben in het verleden samen een woning gekocht.
Gedaagde is in het testament als executeur benoemd en zij heeft deze benoeming aanvaard.
Eiser maakt aanspraak op de legitieme portie.
Eiser heeft dat aan gedaagde kenbaar gemaakt in 2020.
In het incident vordert eiser overlegging van bescheiden door gedaagde om daarmee zijn legitieme portie te kunnen berekenen.
Erfrecht. Legitieme. Informatieverstrekking. Reikwijdte informatieplicht. Onterfde zoon wil stukken zien om zijn legitieme portie te kunnen berekenen.
De rechter oordeelt als volgt.
Het recht van een legitimaris op afgifte van bescheiden moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 4:78 lid 1 BW.
Dit artikellid bepaalt:
“Een legitimaris die niet erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen.”
Uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ volgt dat dit begrip zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.
Bij de beoordeling is voorts van belang dat artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f (van boek 4 BW).
Eiser vordert een kopie van de (volledige tekst van de) samenlevingsovereenkomst die erflater en gedaagde hadden gesloten. Eiser wil kunnen nagaan of erflater een vordering heeft op gedaagde omdat erflater meer dan zijn aandeel in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft voldaan.
Volgens eiser heeft erflater alle woonlasten betaald terwijl gedaagde daarvan mede-eigenaar is en zij in de kosten dus ook een aandeel had moeten dragen.
Ook stelt eiser dat erflater in zijn eentje de volledige (gemeentelijke) belastingen ter zake van de woning heeft betaald.
Eiser sluit niet uit dat in de samenlevingsovereenkomst een regeling is getroffen over de wijze waarop dat moet worden afgerekend bij beëindiging van de samenleving.
Gedaagde legt de tekst van de samenlevingsovereenkomst deels over. Volgens gedaagde blijkt uit dat deel dat de plicht tot het bijdragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding niet geldt voor degene die geen inkomen heeft.
Subsidiair voert gedaagde aan dat de vordering – van erflater op gedaagde – is verjaard.
De rechtbank zal deze vordering toewijzen.
Eiser heeft er voldoende belang bij om te kunnen nagaan of er goederen van de nalatenschap zijn overgeslagen.
Ook (eventuele) overgeslagen goederen van de nalatenschap behoren immers mee te tellen bij de berekening van de legitieme portie.
De mogelijkheid bestaat dat uit de tekst van de samenlevingsovereenkomst blijkt van een vorderingsrecht van erflater op gedaagde.
De vraag of die eventuele vordering toewijsbaar/ verjaard is, zal pas in de hoofdzaak aan de orde komen.
Hier, in het incident, gaat het alleen nog maar om het recht op informatie.
Een dwangsom komt geraden voor.
Deze dwangsom zal worden beperkt en gematigd.
Eiser vordert overlegging van de aangifte en aanslag erfbelasting.
Gedaagde had echter al bij haar eerdere conclusie van antwoord in incident de aangifte erfbelasting 2018 overgelegd.
Gedaagde stelt dat zij ook de aanslag erfbelasting 2018 heeft overlegd.
De rechtbank heeft deze aanslag niet aangetroffen in deze productie. Wel bevat deze productie een brief van de notaris van 10 januari 2020 aan gedaagde, waarin de notaris mededeelt dat de aanslag erfbelasting 2018 is vastgesteld overeenkomstig de aangifte erfbelasting 2018.
De rechtbank gaat er op basis van deze informatie vooralsnog van uit dat in genoegzame mate aan de vordering van eiser tegemoet is gekomen, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
Het is de rechtbank niet duidelijk wat eiser nog mist ter zake van de bankrekeningafschriften. Eiser stelt uiteindelijk dat hij niet goed weet wat hij wel/ niet heeft.
Het is echter niet aan de rechtbank om aan de hand van de vele producties na te pluizen wat eiser nog mist.
Het is aan eiser zelf om dat na te gaan en dat dan vervolgens ook kenbaar te maken aan de rechtbank.
Dus misschien heeft eiser alles al.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een nadere akte, waarin eiser moet uitleggen wat er nog ontbreekt aan de bescheiden waarvan hij de overlegging heeft gevorderd.
De rechtbank wijst er daarbij op dat de hoofdzaak thans nog niet aan de orde is. Stellingen en weren dienen beperkt te blijven tot hetgeen in het incident gevorderd is. Dat lijkt niet steeds in acht genomen te worden.
Eiser stelt dat de helft van de inboedel onderdeel uitmaakt van de nalatenschap en dat de waarde daarvan meetelt bij de berekening van zijn legitieme portie.
Volgens eiser moet gedaagde op onderbouwde wijze opgave doen van deze inboedel.
Volgens gedaagde is de inboedel niets waard.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De stelling van eiser dat de helft van de waarde van de inboedel meetelt, is niet zonder meer juist.
Erflater was immers niet in gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde.
Van de nalatenschap van erflater maken onderdeel uit die inboedelgoederen die de eigendom van erflater waren.
Eiser heeft daarom recht op (enige) beschrijving van de inboedel van erflater.
Volgens gedaagde is de inboedel niets waard.
Om dat te kunnen nagaan moet echter eerst duidelijk worden over wat voor soort inboedel we het hebben.
De rechtbank tekent alvast aan dat zij als regel, behoudens bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld omdat sprake is van kostbare kunst en/ of antiek), uitgaat van de waarderingsmaatstaf: wat zou een opkoper er voor geven?
Dat pleegt niet veel te zijn.
Een opgave van alle door erflater verrichte schenkingen aan afstammelingen alsmede alle door erflater verrichte schenkingen van de afgelopen vijf jaar:
Deze vordering zal worden afgewezen.
Gedaagde voert aan dat haar geen schenkingen van erflater bekend zijn anders dan blijkend uit de aangifte erfbelasting en dat van eventuele overige schenkingen zal moeten blijken uit de bankrekeningafschriften.
De rechtbank acht het recht van eiser op informatie voldoende gewaarborgd door kennisneming van de desbetreffende bankrekeningafschriften.
Eiser vordert medewerking van gedaagde aan taxatie van de woning door voornoemd makelaarskantoor.
Gedaagde legt een in haar opdracht opgesteld taxatierapport over van Makelaardij L BV, gedateerd 14 september 2020.
Daarin staat dat de woning op 29 juni 2018 (sterfdatum erflater) een marktwaarde had van € 155.000 en van € 190.000 op 24 augustus 2020.
De rechtbank zal deze vordering – in ieder geval in het incident – afwijzen.
De vraag of € 155.000 een reële prijs is (waarde peildatum is het tijdstip onmiddellijk na overlijden, art.4:6 BW) – zal in de hoofdzaak aan de orde komen.
Thans gaat het alleen nog maar om verstrekking van informatie, nog niet om de vraag of die informatie correct is.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.