De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de legitimaris recht had op de verstrekking van informatie over bankafschriften van zeven jaar vóór het overlijden van de erflaatster.

Erflaatster is op 15 mei 2019 overleden.

Zij heeft bij testament van 26 augustus 2010 over haar nalatenschap beschikt.

Erflaatster heeft gedaagde partij tot enig erfgenaam benoemd en eisende partij onterfd.

Gedaagde partij is in het testament tot executeur benoemd.

Bij brief van 22 augustus 2022 heeft eisende partij een beroep op zijn legitieme portie gedaan en heeft hij verzocht om alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening daarvan.

De eisende partij stelt dat hij recht en belang heeft bij de bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen van erflaatster, omdat hij door middel van deze afschriften kan achterhalen of er meer dan de al bij hem bekende giften zijn verstrekt aan gedaagde partij.

Erfrecht. Legitieme. Informatie die nodig is voor het vaststellen van de legitieme portie. Verstrekking van informatie over bankafschriften zeven jaar voor overlijden erflaatster?

De rechter oordeelt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat eisende partij belang heeft bij de verzochte bankafschriften, nu door het kunnen controleren van de financiële administratie van erflaatster, waaronder het vermogensverloop in de bankafschriften over de periode voor haar overlijden, het voor hem mogelijk is om vast te stellen of erflaatster schenkingen heeft gedaan die bij de berekening van zijn legitieme portie dienen te worden meegenomen.

Eisende partij heeft daarom ook belang bij de bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen die ten tijde van het overlijden van erflaatster reeds waren opgeheven, maar in de daaraan voorafgaande jaren nog bestonden, omdat daaruit immers eveneens kan blijken van schenkingen.

Voor zover gedaagde partij heeft aangevoerd dat er ten aanzien van deze opgeheven rekeningen geen belang bestaat omdat het geld kost om de afschriften op te vragen, terwijl er vrijwel niets aan saldo op de rekeningen stond, gaat de rechtbank hieraan – gelet op het voorgaande – voorbij.

Eisende partij heeft bij verzoekschrift de bankafschriften over de periode 2017-2021 verzocht, maar bij eiswijziging vordert hij de bankafschriften over de periode mei 2014 tot mei 2021 (althans tot het moment van opheffing van de betreffende rekening).

Voor zover gedaagde partij heeft aangevoerd dat hij niet aan deze eiswijziging kan voldoen, omdat steeds afschriften vanaf 2017 zijn gevraagd en hij geen rekening heeft gehouden met nieuwe eisen die verder teruggaan in de tijd, geldt het volgende.

Gedaagde partij kan, voor zover hij niet over de bankafschriften beschikt, als erfgenaam en executeur van erflaatster bankafschriften bij de banken opvragen tot zeven jaar geleden (gelet op de wettelijke bewaartermijn van banken).

De kosten die met het voldoen aan deze informatieplicht gepaard gaan, komen, voor zover in redelijkheid gemaakt, ten laste van de nalatenschap van erflaatster.

De verwijzing van eisende partij naar het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 september 2019, GHSHE:2019:3344, waarin de beschikking is bekrachtigd waarbij de erfgenaam/executeur is veroordeeld tot afgifte van de bankafschriften tot vijf jaar voor het overlijden tot heden/opheffing van de rekening, maakt niet dat gedaagde partij in de onderhavige zaak wordt veroordeeld tot het verstrekken van de bankafschriften van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster.

Het hof heeft in die zaak immers geoordeeld dat de bank – gelet op de wettelijke bewaarplichten – nog moet beschikken over de verzochte bankafschriften, terwijl dat in de onderhavige zaak niet het geval is.

Eisende partij stelt dat bij bestudering van de in deze procedure overgelegde bankafschriften is gebleken dat er ook na overlijden van erflaatster nog betalingen op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op 660 zijn binnengekomen, welke relevant zijn voor het vaststellen van de legitieme portie.

Daarnaast stelt eisende partij dat na het overlijden van erflaatster door gedaagde partij betalingen aan zichzelf zijn gedaan vanaf deze bankrekening.

Nu de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap en met waarde wordt bedoeld de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden (artikel 4:65 BW juncto 4:6 BW), is voor de berekening van de legitieme portie niet relevant wat er na de datum van het overlijden met het saldo op de bank- en spaarrekeningen is gebeurd.

Gedaagde partij zal daarom niet worden veroordeeld de bankafschriften van na het overlijden van erflaatster aan eisende partij te verstrekken.

Gedaagde partij heeft al verscheidene bankafschriften aan eisende partij verstrekt, zodat hij alleen wordt veroordeeld de ontbrekende bankafschriften te verstrekken.

De rechtbank sluit voor de termijn van het verstrekken van de stukken aan bij de in randnummer 27 van het verzoekschrift van eisende partij genoemde termijn van vier weken na dagtekening van het vonnis.

De slotsom is dat de vordering wordt toegewezen, met dien verstande dat gedaagde zal worden veroordeeld tot het in afschrift verstrekken aan eisende partij van de bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen van erflaatster, van zeven jaar geleden tot 16 mei 2019, althans tot het moment dat de betreffende bank- of spaarrekening is opgeheven, uitsluitend voor zover hij deze bankafschriften nog niet aan eisende partij heeft verstrekt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.