Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 24 mei 2022 uitspraak gedaan over de in aanmerking te nemen giften bij de berekening van de legitieme.
Bij tussenarrest heeft het hof geïntimeerde in de gelegenheid gesteld een opgave te verstrekken van alle giften dan wel leningen door erflater aan zowel legitimarissen-erfgenamen alsmede alle giften gedaan aan derden over een periode van vijf jaar vóór het overlijden van erflater, alsmede alle overige informatie over giften zoals bedoeld in artikel 4:67 BW en appellante toegelaten tot het leveren van schriftelijk tegenbewijs tegen het vermoeden dat aan haar (een deel van de) door erflater de op de bij zijn testament gevoegde lijst vermelde betalingen zijn verricht en door haar zijn ontvangen.
Geïntimeerde heeft naar aanleiding van het tussenarrest twee producties in het geding gebracht.
De producties bestaan uit bankafschriften van de ING op naam van erflater over de periode 11 mei 2007 tot en met 15 augustus 2014 zonder duidelijke toelichting en uit bankafschriften van de ABN AMRO Bank van de ten name van erflater staande rekeningnummers over de periode 31 januari 2014 tot en met 31 maart 2015 alsmede van de privérekening over de jaren 2010, 2014 en 2015.
Hierbij zit een – naar het hof begrijpt – summier overzicht van betalingen aan partijen en derden zonder duidelijke toelichting.
Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme portie. In aanmerking te nemen giften. Gebruikelijke en bovenmatige giften? Natuurlijke verbintenis? Kosten van levensonderhoud. Bewijs. Bewijslast. Tegenbewijs. Informatieplicht. Bankafschriften.
De rechter oordeelt als volgt.
Appellante stelt in eerste instantie dat geïntimeerde niet heeft voldaan aan de veroordeling om een opgave te verstrekken van alle giften en leningen zoals hiervoor vermeld.
Door geïntimeerde is geen memorie na tussenarrest genomen althans de overgelegde stukken kunnen niet als zodanig worden gekwalificeerd.
Appellante verzoek het hof om hieraan de gevolgtrekking te verbinden die het hof geraden acht.
Het hof overweegt als volgt.
In het tussenarrest van 29 juni 2021 heeft het hof overwogen dat geïntimeerde in de gelegenheid gesteld moet worden om een opgave te verstrekken van alle giften dan wel leningen door erflater over een periode van vijf jaar voor het overlijden van erflater met betrekking tot de vordering onder 1, inhoudende dat bij de berekening van de waarde van de goederen van de nalatenschap een aantal giften bij de omvang van de legitimaire massa moet worden opgeteld en de vordering onder 3, het recht op informatie van de legitimaris op grond van artikel 4:78 BW.
Geïntimeerde heeft in dit kader genoemde bankafschriften overgelegd.
Het hof merkt op dat deze bankafschriften echter niet zien op de verzochte periode van vijf jaar voor het overlijden van erflater.
Zo zijn van de ABN AMRO Bank voor wat betreft de vermogensrekening alleen de afschriften van de jaren 2014 en 2015 overgelegd en van de privérekening alleen de jaren 2010, 2014 en 2015. Verder is bij de overlegde bankafschriften een zeer beperkte toelichting gegeven.
Op grond van vaste jurisprudentie brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanig wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren.
De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval geïntimeerde met de beperkte toelichting niet, althans onvoldoende, duidelijk heeft gemaakt op welke in die bankafschriften genoemde feiten zij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept, terwijl dit uit de bankafschriften ook niet aanstonds valt op te maken.
Het hof kan uit de, zoals gezegd zeer beperkte, toelichting ook geen conclusies trekken en ook voor appellante is zo niet duidelijk waartegen zich zij moet verweren.
Geïntimeerde heeft niet aan de informatieverplichting in de zin van artikel 4:78 BW voldaan.
Appellante heeft het hof verzocht een gevolgtrekking te maken die hij geraden acht.
Volgens appellante zou daarbij gedacht kunnen worden aan de vaststelling dat jaarlijks gemiddeld ongeveer € 4.000,- door erflater werd geschonken aan geïntimeerde, de broer en overige geïntimeerde, zodat daarmee rekening gehouden dient te worden gehouden bij de vaststelling van de legitimaire massa.
Appellante stelt zich op het standpunt dat in ieder geval de legitimaire massa met een totaalbedrag van € 11.905,34, bestaande uit de giften van erflater vanaf 2014 aan overige geïntimeerde (totaal € 3.517,02), de broer (totaal 2.800,-) en geïntimeerde (totaal € 5.588,32), dient te worden verhoogd.
Geïntimeerde stelt dat de schenkingen aan overige geïntimeerde en de broer niet meegenomen dienen te worden voor de berekening van de legitieme portie omdat zij geen legitimarissen zijn en dit geen giften in de zin van artikel 4:67 lid d BW betreffen.
De aan geïntimeerde overgemaakte bedragen zijn vergoedingen van gemaakte kosten en aan te merken als een natuurlijke verbintenis in de zin van artikel 3:6 lid 2 sub b BW.
Geïntimeerde stelt dat ook deze bedragen niet moeten worden meegenomen voor de berekening van de legitieme portie.
Het hof is van oordeel dat de schenkingen aan overige geïntimeerde en de broer dienen te worden meegerekend voor de berekening van de legitimaire massa.
Immers, op grond van artikel 4:67 sub e BW mogen deze giften aan overige geïntimeerde en de broer ook bij de berekening worden meegenomen aangezien de prestatie binnen vijf jaar voor het overlijden van erflater is geschied.
Voor wat betreft de schenkingen aan geïntimeerde is het hof van oordeel dat geïntimeerde onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat deze bedragen zijn aan te merken als vergoeding voor gemaakte kosten en dat dit als een natuurlijke verbintenis is te beschouwen.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de legitimaire massa met een totaalbedrag van € 11.905,34 zal worden verhoogd en dat aan appellante 1/4e deel daarvan toekomt, wat neerkomt op een bedrag van € 2.976,34.
De vordering in principaal hoger beroep zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de opdracht tot tegenbewijs van appellante verzoekt zij het hof om heroverweging van de bewijsopdracht op grond waarvan zij het vermoeden dient te ontkrachten c.q. te ontzenuwen dat door erflater vanaf zijn bankrekeningen aan haar betalingen zijn overgemaakt tot een totaalbedrag van € 61.870,55 c.q. dat deze door haar zijn ontvangen.
Zij voert hiertoe aan dat van haar in redelijkheid thans niet meer kan worden gevergd dat zij in 2021 nog de beschikking heeft of kan krijgen over bankafschriften van de periode 2006-2014.
Appellante kan aan deze bewijsopdracht niet meer voldoen nu zij zelf de afschriften uit die periode niet meer kan verstrekken.
Ze stelt dat de bewijslast in deze op geïntimeerde rust en verwijst naar het eerder door geïntimeerde daartoe gedane bewijsaanbod.
Het hof verwijst naar het tussenarrest van 29 juni 2021 waarin is overwogen dat geïntimeerde voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat erflater een totaalbedrag van € 61.870,55 aan appellante heeft overgemaakt.
Appellante stelt dat zij niet aan de bewijsopdracht kan voldoen nu zij zelf niet meer over de afschriften van de periode 2006-2014 , de bank haar deze afschriften uit die periode niet meer kan verstrekken en indien de bank dat zou kunnen zij daarvoor kosten (€ 100,- per afschrift) in rekening kan brengen.
Het hof is van oordeel dat het niet kunnen overleggen van de desbetreffende bankafschriften voor rekening en risico van appellante komt.
Het lag op haar weg om in ieder geval een paar afschriften over te leggen zodat zij het door geïntimeerde voorshands bewezene kon ontzenuwen.
Het hof gaat aan de verwijzing naar het bewijsaanbod van geïntimeerde voorbij, omdat geïntimeerde met haar onderbouwing haar stelling voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt en daarvoor overlegging van de bankafschriften niet noodzakelijk was.
Nu appellante niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs, staat vast dat erflater een totaalbedrag van € 61.870,55 aan appellante heeft overgemaakt.
In het tussenarrest van 29 juni 2021 heeft het hof geoordeeld dat de aan appellante verstrekte bedragen als giften moeten worden beschouwd en dat deze giften niet kunnen worden beschouwd als bijdragen in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub a BW.
Het hof heeft in verband met de beoordeling van het subsidiaire verweer van appellante of van genoemd bedrag van € 61.870,55 de aan haar overgemaakte bedragen van € 1.920,- (in 2006), € 2.753,- (in 2008), totaal € 3.786,- (in 2010) en € 3.195,- (in 2012) aangemerkt moeten worden als gebruikelijke giften die niet bovenmatig waren in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub b BW aangehouden.
Het gaat in totaal om een bedrag van € 11.654,-.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Giften worden bij de berekening van de legitieme portie niet in aanmerking genomen indien zij gebruikelijk en niet bovenmatig zijn.
Appellante stelt dat zij in de jaren 2006, 2008, 2010 en 2012 in totaal € 11.654,- aan dergelijk giften heeft ontvangen van erflater.
Door geïntimeerde is niet, althans onvoldoende, weersproken dat deze giften gebruikelijk en niet bovenmatig zijn.
Zij stelt alleen dat erflater in het testament heeft vermeld dat giften verrekend moeten worden.
In het testament is het volgende over de inbreng van schenkingen bepaald:
“ INBRENG SCHENKING / AANMERKEN LENING
(…)
Ik bepaal dat mijn dochter [appellante] de aan haar in totaal verstrekte schenkingen ad drie honderd vijftig euro (€ 350,00) dient in te brengen in mijn nalatenschap.
Voor het geval door een van mijn kinderen een beroep wordt gedaan op haar legitieme portie bepaal ik dat er allereerst inkorting dient te geschieden op de voormelde giften die aan dit kind/deze legitimaris zelf zijn gedaan.”
Het hof is van oordeel dat deze inbrengplicht niet ziet op de giften waarvan appellante stelt dat deze gebruikelijk en niet bovenmatig zijn.
Overige verweren zijn door geïntimeerde niet aangevoerd.
Het hof zal dan ook het totaalbedrag ad € 11.654,- als gebruikelijke en niet bovenmatige gift beschouwen, zodat dit bedrag niet hoeft te worden ingebracht in de nalatenschap van erflater.
Het hof neemt hierbij het vermogen van erflater en zijn relatie tot appellante in aanmerking alsmede de omstandigheid dat deze bedragen ruim onder de voet voor de schenkbelasting van het desbetreffende jaar blijven.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hof een bedrag van € 50.216,55 (€ 61.870,55 minus € 11.654,-) als gift in aanmerking neemt voor de berekening van de legitieme aanspraak van appellante.
Vanwege de familierelatie van partijen zal het hof zal de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen (artikel 237 lid 1 Rv).
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.