Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Rotterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of de geboden zekerheidstelling voor de legitieme voldoende garantie bood. Per wanneer diende de wettelijke rente vergoed te worden?

Gelet op hetgeen is overwogen wordt de berekening van de legitimaire massa door eiseres na deskundigenrapport met dien verstande dat de waarde van de schenking van de woning wordt vastgesteld op € 1.800.000 in plaats van € 1.940.000. Dit betekent dat de legitimaire massa wordt vastgesteld op € 1.845.181,20. De legitieme portie van eiseres bedraagt een/vierde hiervan, ofwel € 461.295,30.

In de omvang van de uit te keren legitieme portie en de door gedaagde gestelde en aannemelijk gemaakte omstandigheden omtrent zijn financiële situatie (de woning “staat onder water” en het loon uit zijn BV) ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek tot een betalingsregeling te honoreren.

Ten aanzien van de door gedaagde aangeboden zekerheden heeft eiseres aangevoerd dat het voorstel van gedaagde haar geen enkele zekerheid biedt en het voorstel als onvoldoende dient te worden aangemerkt.

De door gedaagde genoemde persoon kan ieder moment zijn handen van de kwestie aftrekken, dan wel doen zich omstandigheden voor die de (vermeende) leencapaciteit van de bekende negatief beïnvloeden, zoals het kopen van een huis, verplichtingen met betrekking tot credit cards, kredieten, privé lease van een auto.

Ook kan niet worden uitgesloten dat deze bekende zijn baan zou verliezen. Bovendien is slechts een print screen van de algemene leencalculator van de Rabobank overgelegd. Volgens eiseres heeft de door gedaagde genoemde persoon, rekening houdende met zijn salaris, overige schulden en lasten ad circa € 300 per maand en woonlasten die door haar zijn begroot op € 750, een leencapaciteit van maximaal € 28.000.

Met betrekking tot het recht van tweede hypotheek op zijn huis dat gedaagde heeft aangeboden, voert eiseres aan dat zij de restschuld van de hypothecaire geldlening weliswaar € 1.250.000 bedraagt, maar dat zij een inschrijving voor zich dient te dulden tot een bedrag van € 2.590.000.

Biedt de geboden zekerheidstelling voor de legitieme voldoende garantie? Wettelijke rente.

De rechter oordeelt als volgt.

De hiervoor omschreven door gedaagde aangeboden zekerheid/zekerheden worden door de rechtbank niet goedgekeurd.

Deze zekerheid/zekerheden bieden onvoldoende garantie dat eiseres het aan haar toekomende bedrag ad € 461.295,30 bij niet of niet tijdige aflossing door gedaagde van de door hem verschuldigde termijnen, zal kunnen incasseren door genoemde zekerheden in te roepen.

Dit brengt met zich dat eiseres geen belang meer heeft bij haar verzoek tot heroverwegen van de gehonoreerde betalingsregeling.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat in het tussenvonnis de wettelijke rente niet correct is toegewezen.

De aanspraak op wettelijke rente – welke dient te worden onderscheiden van de verhoging ingevolge art. 4:84 BW – dient te worden bepaald aan de hand van art. 6:119 BW in verbinding met art. 6:81 e.v. BW.

Vereist is dat de vordering opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim verkeert.

Op grond van art. 4:81 lid 1 BW is de vordering opeisbaar vanaf 3 november 2009.

Ten aanzien van het verzuim van gedaagde heeft eiseres gesteld dat zij op 29 september 2010 jegens gedaagde aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie.

Deze mededeling kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van art. 6:82 lid 1 BW, waarmee gedaagde in verzuim is komen te verkeren.

Echter, de vordering van eiseres luidt: “gedaagde te veroordelen: 1. tot betaling van (…) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening”, zodat de gevorderde wettelijke rente vanaf de eerste datum in het petitum, te weten 10 oktober 2010, zal worden toegewezen.

Dit betekent dat de rechtbank zal terugkomen op de beslissing in het tussenvonnis van 19 april 2017 op het punt van de ingangsdatum van de verschuldigde wettelijke rente, op de hiervoor beschreven wijze.

In het tussenvonnis van 19 april 2017 is reeds overwogen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd. Eiseres heeft echter ook de beslagkosten gevorderd. In het tussenvonnis van 19 april 2017 is verder overwogen dat de toewijzing van de vordering in conventie van eiseres in de weg staat aan de opheffing daarvan. Gelet op het vorenstaande zijn de gevorderde beslagkosten ad in totaal € 294,05 (exclusief griffierecht) toewijsbaar.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over zekerheidsstelling bij de legitieme of over de vergoeding van rente in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.