De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft onlangs een conclusie genomen over de toerekening van giften door een erflater die in gemeenschap van goederen was getrouwd.

Volgens eisers is het samenstel van deze rechtshandelingen een gift van vader aan verweerder.

Verweerder is ten koste van vader verrijkt.

Dat was voor vader kenbaar, zodat ook sprake is van een bevoordelingsbedoeling.

Erfrecht. Legitieme. Giften bij berekening van legitieme portie. Bevoordelingsbedoeling. Formele tenaamstelling. Toerekening van giften aan erflater die in gemeenschap van goederen is gehuwd?

De A-G concludeert als volgt.

Het incidentele cassatiemiddel van verweerder ziet op het tussenarrest, waarin het hof als volgt overweegt:

‘De giften die vader heeft gedaan, worden geheel aan hem toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen.

Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan.

Verweerder maakt daartegen vergeefs bezwaar.

Zijn eerste grief houdt in dat de giften voor de helft aan (de nalatenschap van) moeder moeten worden toegerekend, omdat zij ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder.

Die grief faalt.

Moeder heeft aan vader in de notariële akte van 30 december 2010 toestemming op voet van artikel 1:88 BW gegeven voor alle rechtshandelingen van vader in die akte, dus ook voor de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000.

Die toestemming maakt haar niet tot schenker, maar bevestigt juist dat de schenkingen alleen door vader zijn gedaan.’

Het middel bestaat uit drie onderdelen.

Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de giften die de vader heeft gedaan geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

Het hof zou hebben miskend dat voor de toerekening van een gift niet de formele tenaamstelling relevant is maar wie in economische zin door de gift is verarmd.

Hierbij moet volgens de klacht in acht worden genomen aan welke echtgenoot de gift is toegerekend in het kader van de huwelijksvermogensrechtelijke verdeling van de gemeenschap.

Verder zou beoordeeld moeten worden of, ondanks de formele tenaamstelling van de gift, uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat de echtgenoten samen de gift hebben gedaan.

Het middel stelt aan de orde de vraag of de giften van de vader geheel of slechts gedeeltelijk aan hem moeten worden toegerekend.

Aangezien de vader in de wettelijke gemeenschap van goederen was gehuwd en de giften niet zijn gedaan uit het privévermogen van de vader, zou – met het middel – betoogd kunnen worden dat de giften in economische zin mede ten laste van het vermogen van de moeder zijn gekomen.

Dit standpunt vindt echter geen steun in het recht.

Ik wijs hiervoor op het volgende. In het kader van de invoering van het nieuwe erfrecht bepaalde art. 4.3.3.6a van het wetsontwerp dat giften ten laste van een gemeenschap van goederen of van een deelgenootschap, waarin de gever ten tijde van de gift gehuwd was, voor de toepassing van afdeling 4.3.3 (legitieme portie) geacht worden door ieder der echtgenoten voor het te zijnen laste komende deel te zijn gedaan.

Tijdens de behandeling van het wetsontwerp is deze voorgestelde regeling komen te vervallen.

De wetgever heeft dit als volgt toegelicht:

Artikel 4.3.3.6a. Tot dusver werden in artikel 4.3.3.6a giften van een erflater die gehuwd was in enige gemeenschap of deelgenootschap (wettelijk of krachtens huwelijkse voorwaarden) niet geheel toegerekend aan de gever’.

Voor zover de gift ten gevolge van de regels van de gemeenschap of het deelgenootschap feitelijk ten laste kwam van de echtgenoot van de erflater, werd zij aan deze echtgenoot toegerekend.

Nadere overweging van deze bepaling en de daarmee samenhangende, nogal gecompliceerde, regels van artikel 7.3.12c lid 7 heeft mij er alsnog toe gebracht om in deze bepalingen voor giften niet af te wijken van de formele tenaamstelling.

Schenkingen dienen derhalve volledig te worden toegerekend aan degene die daarbij als schenker partij is.

De echtgenoot die geen partij is zal daaraan zo nodig toestemming kunnen onthouden (artikel 1:88 BW).’

Hieruit volgt dat de wetgever bij de toerekening van giften (in het kader van de berekening van de legitieme portie) uitdrukkelijk heeft gekozen voor de formele tenaamstelling van de gift, nadat de wetgever een andersluidende regeling in het wetsvoorstel uitdrukkelijk heeft verworpen.

Volgens de bedoelingen van de wetgever geldt dat de gift volledig moet worden toegerekend aan degene die de gift formeel (als partij bij die rechtshandeling) heeft gedaan; de formele tenaamstelling van de gift is derhalve beslissend.

Hieraan doet niet af dat de formele gever in gemeenschap van goederen is gehuwd en de gift uiteindelijk (in economische zin) ten laste van beide echtgenoten is gekomen.

Evenmin doet hieraan af dat bij de heffing van schenk- en erfbelasting wel wordt uitgegaan van een economische benadering.

Overigens behoeft de echtgenoot die een gift wenst te doen hiervoor de toestemming van de andere echtgenoot (art. 1:88 lid 1 sub b BW).

De enkele omstandigheid dat echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd brengt nog niet mee dat een echtgenoot (mede) partij is bij een door de andere echtgenoot aangegane rechtshandeling.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.