De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over een inferieur legaat bij de vaststelling van de legitimaire massa ter berekening van de legitieme.

Eiser en gedaagde zijn broers.

Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de legitieme en om de imputatieregeling van artikel 4:73 BW.

Erfrecht. Legitieme. Vaststelling van de legitieme. Omvang van de legitimaire massa. Verkrijging krachtens erfrecht. Verwerping. Imputatie. Vermindering. Inferieur legaat. Giften.

De rechter oordeelt als volgt.

De imputatieregeling in artikel 4:73 BW

Het eerste onderwerp dat bespreking behoeft is de imputatieregeling in art. 4:73 BW.

Op grond daarvan komt de waarde van een door de legitimaris verworpen legaat van een bepaalde geldsom in mindering op zijn legitieme portie (anders gezegd: vindt imputatie of toerekening van het verworpen legaat op de legitieme portie plaats), tenzij sprake is van een zogenaamd inferieur legaat.

Van dit laatste is in deze zaak sprake, omdat de opeisbaarheid van de legaten in de testamenten van zowel vader als moeder wordt gekoppeld aan een termijn van een jaar (zie art. 4:73 lid 1, aanhef en sub c BW).

De opeisbaarheid van het legaat in de nalatenschap van vader is verder uitgesteld ten gevolge van de wettelijke verdeling van die nalatenschap, namelijk tot na het overlijden van moeder (zie art. 4:81 lid 2, aanhef en sub b. jo. art. 4:81 lid 1 BW).

De imputatieregeling is in de eerste plaats aan de orde in verband met de nalatenschap van vader, omdat eiser, onder uitdrukkelijke verwerping van het testamentaire legaat, aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie.

De daaruit (eventueel) voorvloeiende vordering op de nalatenschap van vader is inmiddels opeisbaar (zie art. 4:81 lid 2 jo. lid 1 BW).

De imputatieregeling is daarnaast aan de orde omdat eiser ook in de nalatenschap van moeder aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie.

Ook deze (eventuele) vordering is inmiddels opeisbaar (zie art. 4:81 lid 1 BW).

De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat eiser het legaat in het testament van moeder heeft verworpen.

Die verwerping is, impliciet maar onmiskenbaar, opgenomen in de brief van eiser aan gedaagde van 21 juni 2021.

Daarin is (mede) in verband met de nalatenschap van moeder sprake van (de aanspraak op) ‘mijn legitieme’ (pag. 1, 6e regel van onderen), van de ‘legitimaire massa/legitieme portie’ (in de nalatenschap van moeder, pag. 2 onder 2.2., 5e regel) en van (de) ‘legitieme portie (van beide nalatenschappen tezamen)’ (pag. 3, laatste al., regel 1).

Nergens in de brief wordt melding gemaakt van (enige aanspraak op) het legaat in het testament van moeder.

Gedaagde was op de hoogte van de inhoud van dat testament.

Tegen de achtergrond van het daarin bepaalde mocht (en moest) hij uit de brief opmaken dat de wil van eiser was gericht op het verwerpen van het legaat, om vervolgens aanspraak te maken op zijn legitieme portie.

Uit de eerdere brieven van eiser aan gedaagde volgt zijn verwerping van dat legaat niet, ook niet impliciet.

In die brieven is weliswaar sprake van ‘legitimaire massa’ en van ‘de legitieme’, maar die vermeldingen betreffen in hoofdzaak eiser’s legitieme portie in de nalatenschap van vader.

Daar komt bij dat ook ter vaststelling van de omvang van het legaat in de nalatenschap van moeder eerst de omvang van de legitimaire massa en van eiser’s legitieme portie moet worden vastgesteld, zodat het hanteren van de hiervoor genoemde woorden en begrippen als zodanig nietszeggend is.

Gedaagde hoefde (en moest) daaruit niet te begrijpen dat eiser wil was gericht op het verwerpen van het legaat in het testament van moeder.

Anderzijds mocht eiser uit het gebruik van de genoemde woorden en begrippen in de correspondentie zijdens gedaagde uit dezelfde periode, om de genoemde redenen, niet afleiden dat gedaagde begreep dat de wil van eiser was gericht op het verwerpen van het legaat.

Kortom: eiser heeft het legaat in het testament van moeder verworpen, om aanspraak te kunnen maken op zijn legitieme portie, en die verwerping is geschied op 21 juni 2021.

Deze laatste vaststelling is van belang in verband met de toepasselijke termijnen.

Op grond van art. 4:73 lid 1-slot BW dient een inferieur legaat, om aan imputatie te ontkomen, te worden verworpen binnen drie maanden na het overlijden van de erflater.

Moeder is overleden in 2020, zodat de verwerping uiterlijk op 30 juli 2020 had dienen te geschieden.

Deze termijn is nadien verlengd tot 30 mei 2021.

Gesteld noch gebleken is dat de termijn later opnieuw is verlengd.

Dit heeft tot gevolg dat eiser het legaat in het testament van moeder weliswaar heeft verworpen, maar te laat om te verhinderen dat de door art. 4:73 lid 1 BW vooropgestelde imputatie plaatsvindt.

Om te ontkomen aan dit oordeel heeft eiser zich beroepen op het bepaalde in artikel 4:201 BW.

Dit beroep faalt.

Uit de genoemde bepaling volgt inderdaad dat legaten vormvrij kunnen worden aanvaard en verworpen.

Juist op grond daarvan heeft in deze zaak te gelden dat de verwerping van het legaat is opgenomen in de brief van eiser van 21 juni 2021 en niet, zoals eiser heeft bepleit, in de eerdere correspondentie tussen eiser en gedaagde.

Het in het testament van moeder aan eiser toegekende legaat heeft dezelfde omvang als de legitieme portie die hem, eventueel, op grond van de wet zou toekomen.

Dit betekent dat eiser waar het betreft de nalatenschap van moeder geen aanspraak (meer) kan maken op enig bedrag aan legitieme portie: door de toerekening van het verworpen legaat op de legitieme portie wordt de omvang van deze laatste gereduceerd tot ‘nul’.

Omdat eiser afstand heeft gedaan van het legaat in het testament van moeder kan hij ook daarop geen aanspraak (meer) maken.

Eiser heeft niets gesteld dat afdoet aan deze oordelen.

Dit alles betekent dat de omvang van de legitimaire massa in de nalatenschap van moeder hierna buiten beschouwing kan blijven.

De vaststelling daarvan dient geen doel.

Ook het bepaalde in art. 4:73 lid 1, aanhef en sub d BW kan buiten beschouwing blijven.

Hetzelfde geldt, in nauw verband hiermee, voor het beroep op inkorting zoals door eiser is gedaan.

De vordering zal, al met al, worden afgewezen.

De vraag die vervolgens rijst is (enkel nog) die naar de omvang van de legitimaire massa in de nalatenschap van vader.

Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 4:65 BW.

Niet ter discussie staat daarbij dat de legitieme portie van eiser in de nalatenschap van vader 1/6e deel van de toepasselijke legitimaire massa bedraagt.

Art. 4:65 BW bepaalt, voor zover van belang, dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f.

De verruiming in verband met de giften heeft betrekking op alle handelingen (al dan niet schenkingen) die ertoe strekken dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt (zie art. 7:186 BW).

Giften worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie (zie art. 4:66 lid 1 BW).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.