De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de reikwijdte van het recht van de legitimaris op informatie ter berekening en vaststelling van de legitieme.
Een onterfde legitimaris vordert van executeur (ook erfgenaam) de afgifte van kopieën van stukken betreffende de nalatenschap.
De legitimaris stelt deze stukken nodig te hebben om de omvang van de legitieme portie te kunnen berekenen en controleren.
De rechtbank geeft enkele algemene overwegingen over de positie van de legitimaris-niet-erfgenaam ten opzichte van de erfgenamen met betrekking tot de nalatenschap.
De legitimaris heeft na het overlijden van erflater aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.
Partijen twisten over de omvang van de legitimaire massa.
De legitimaire massa is de waarde van de nalatenschap op basis waarvan de legitieme portie berekend wordt.
De omvang van de legitimaire massa wordt bepaald door artikel 4:65 BW: de waarde van de nalatenschap wordt vermeerderd met daartoe in aanmerking te nemen giften (artikel 4:67 e.v.) en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f).
In de hoofdzaak hebben zowel de executeur als de legitimaris gevorderd dat de rechtbank de omvang van de legitimaire massa zal vaststellen en op basis daarvan ook de hoogte van de legitieme portie zal vaststellen.
Erfrecht. Legitieme. Recht op informatie. Reikwijdte van het recht op informatie. Informatie over tijd voor het overlijden erflater. Giften. Executeur. Fishing expedition? Bankafschriften.
Art. 4:78 BW, 843a Rv
De rechter oordeelt als volgt.
De legitimaris baseert haar vordering op artikel 4:78 BW.
Dit artikel geeft de legitimaris, niet zijnde erfgenaam, het recht op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij nodig heeft voor de berekening van de legitieme portie.
Een vordering op deze grondslag kan als een incident worden aangemerkt.
Om in deze procedure effectief verweer te kunnen voeren tegen de stellingen van de executeur, zal de legitimaris moeten beschikken over de stukken op basis waarvan de legitimaire massa zal worden bepaald waarop de legitieme portie wordt gebaseerd.
Nog los van het feit dat de rechtbank, als zij op een deugdelijke wijze de omvang van de legitimaire massa en de hoogte van de legitieme portie vast moet stellen zelf ook over die informatie moet beschikken.
Voordat op de verschillende onderdelen van de vordering wordt ingegaan, eerst enkele algemene overwegingen vooraf.
Het zou niet in overeenstemming zijn met de parlementaire geschiedenis die heeft geleid tot de totstandkoming van artikel 4:78 BW om voorwaarden te verbinden aan toewijzing van de vordering van de legitimaris tot het verkrijgen van alle bescheiden die nodig zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa.
Immers, de erfgenamen kunnen daar van rechtswege al over beschikken, terwijl de bedoeling van de wetgever met het in het leven roepen van artikel 4:78 BW nu juist was dat de legitimaris-niet-erfgenaam, in dat recht niet bij de erfgenamen mocht worden achtergesteld.
De vorderingen van de legitimaris-niet-erfgenaam, tegenover de erfgenamen moeten immers (volgens de parlementaire geschiedenis) objectief worden vastgesteld.
Daarom zal niet snel sprake zijn van een ‘fishing expedition’ zoals door de executeur is aangevoerd.
Immers, alleen door het kunnen controleren van de financiële administratie van de erflater, waaronder het vermogensverloop in de bankafschriften over de periode vóór het overlijden van de erflater, is het voor de legitimaris mogelijk om objectief de legitieme portie vast te stellen.
Door slechts uit te gaan van de opgave door de erfgenamen en/of de executeur, zonder dat deze met het volledige vermogensverloop wordt onderbouwd, kan geen objectieve vaststelling van de omvang van de legitimaire massa en daaruit voortvloeiend de legitieme portie plaatsvinden.
De belangen van de erfgenamen, waaronder in dit geval de executeur, zijn per definitie tegenstrijdig met het belang van de legitimaris, niet-erfgenaam.
In dit geval, waarin de verhoudingen tussen de partijen verstoord zijn en er over en weer sprake is van wantrouwen, geldt dat nog meer.
De vraag die vervolgens rijst is hoever die verplichting voor de erfgenamen strekt.
Buiten kijf staat dat de legitimaris recht heeft op de bescheiden waarmee zij de omvang en de waarde van de nalatenschap op het moment van overlijden kan controleren.
Maar voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn ook vóór het overlijden gedane giften door de erflater van belang (artikel 4:65 BW jo 4:67 e.v. BW).
De legitimaris-niet-erfgenaam heeft daarom ook een gerechtvaardigd belang bij het kunnen controleren of door de erflater aan erfgenamen of derden schenkingen zijn gedaan.
Zij is niet gehouden af te moeten gaan op mededelingen van de executeur en/of erfgenamen daarover.
Ten behoeve van de controle met name van de vóór overlijden gedane giften is het van belang dat conform artikel 4:78 lid 1 BW óók de legitimaris-niet-erfgenaam, evenals de erfgenamen, afschrift van en inzage in de gehele financiële administratie van de erflater moet kunnen krijgen, waaronder een volledig overzicht van de in de nalatenschap aanwezige bankafschriften, dan wel de bankafschriften bij de bank die gedurende een periode van zeven jaar bewaard worden, teneinde inzicht te krijgen in de door de erflater gedane giften.
Uit de boedelbeschrijving blijken eventuele giften vóór het overlijden van de erflater immers niet, terwijl belastingaangiften een vertekend beeld kunnen geven van de daadwerkelijke omvang van de nalatenschap teneinde de te betalen erfbelasting zo laag mogelijk te houden.
Van de executeur mag in dit verband de nodige zorg verwacht worden om deze controle mogelijk te maken.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de te verstrekken informatie in ieder geval terug te gaan tot zeven jaar vóór het overlijden van erflater in verband met de wettelijke bewaartermijn van de bank.
De executeur dient deze bankafschriften op voorhand veilig te stellen, zeker als zij, zoals in dit geval, redelijkerwijs zou kunnen vermoeden dat door een legitimaris- niet-erfgenaam aanspraak zou kunnen worden gemaakt op de legitieme portie.
Dit om te voorkomen dat er na jarenlang procederen geen bankafschriften meer over de periode vóór het overlijden van de erflater zouden kunnen worden verkregen en daarmee het recht op het verkrijgen van deze informatie illusoir wordt.
Op de executeur rust ter zake een zorgplicht.
Als zij niet (meer) in staat is deze informatie te verstrekken, mag van haar worden verwacht dat zij stelt en onderbouwt dat en waarom zij geen beschikking meer heeft of kan krijgen over deze informatie.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.