Het Gerechtshof Den Haag heeft op 20 september 2022 uitspraak gedaan over de reikwijdte van de informatieverplichting van de erfgenamen en executeur tegenover legitimaris in kort geding.

Bij testament van 27 mei 2004 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt.

Hierbij heeft hij zijn echtgenote en appellanten tot erfgenamen benoemd en geïntimeerde en haar broer onterfd.

Bij vonnis in kort geding van 21 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam appellanten een nadere veroordeling gegeven met betrekking tot de door appellanten aan geïntimeerde te verstrekken bescheiden, die het volgende inhoudt:

de voorzieningenrechter veroordeelt gedaagden om binnen vier weken na betekening van het vonnis de volgende bescheiden aan geïntimeerde te verstrekken:

-kopieën van de bankafschriften van de bankrekeningen betreffende de laatste vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater en/of erflaatster,

-bescheiden van een gift van erflater en/of erflaatster aan appellante van fl. 98.377,00,

-aangiften inkomstenbelasting voor zover daaruit blijkt van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015,

De voorzieningenrechter heeft appellanten veroordeeld om aan geïntimeerde een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan deze veroordeling voldoen, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

Verder is geïntimeerde gemachtigd om op kosten van appellanten bij de ABN Amro Bank alle bankproducten vanaf 5 januari 2010 tot en met [dag 2] 2017 in de administratie bekend op naam van (de erven) erflater en/of (de erven) erflaatster op te vragen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en appellanten zijn veroordeeld in de proceskosten.

Appellanten vorderen dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende geïntimeerde niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen althans de vorderingen van geïntimeerde afwijst, althans zodanig oordeelt als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.

Geïntimeerde vordert dat het hof bij arrest het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen, namelijk voor zover de gevorderde veroordelingen zijn afgewezen om de bescheiden onder c., j. tot en met u., v. (voor zover het betreft de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting 1990 t/m 2009) en y., zoals vermeld in het petitum van de kort geding dagvaarding, te overleggen en in zoverre opnieuw rechtdoende appellanten te veroordelen om aan geïntimeerde te verstrekken de volgende bescheiden:

c) een machtiging voor de ABN Amro bank voor het opvragen van eventueel ontbrekende bankafschriften voor de periode 5 januari 2010 t/m 2017;

g) bescheiden die ten grondslag liggen aan de posten:

– kosten begrafenis;

– kosten grafsteen;

j) afschriften van de nota’s van afrekening van de transacties op 30 en 31december 1996 van de recreatiewoning en bescheiden waaruit blijkt op welke wijze appellanten de toedeling hebben gefinancierd;

k) taxatierapporten waaruit de economische waarde blijkt per 22 juli 2014 van de negen garages die op 22 juli 2014 zijn geleverd aan appellante;

l) taxatierapporten waaruit de economische waarde blijkt per 22 juli 2014 van het appartementsrecht en de bijbehorende garage, beide geleverd op 22 juli 2014 aan appellante;

m) aangaande het onroerend goed aan het adres X :

– bescheiden waaruit blijkt of en zo ja, op welke wijze de dochters (mede) de aanschaf van het stuk grond in 1992 hebben gefinancierd;

– bescheiden waaruit blijkt wat de totale kosten van de bouw en inrichting van de opstallen op het stuk grond zijn geweest;

– bescheiden waaruit blijkt of en zo ja, op welke wijze de dochters (mede) de bouw van de opstallen en de inrichting hebben gefinancierd;

– bescheiden waaruit blijkt of en zo ja, op welke wijze de dochters hebben meebetaald aan de eigenaarslasten van het onroerend goed in de jaren 1992 tot en met 2002;

– de belastingaangifte en -aanslag schenkingsrechten van de schenking op 12 december 2002;

– de nota van afrekening van de transactie op 12 december 2002;

n) bescheiden waaruit blijkt op welke wijze appellanten de aanschaf van de woning in A en de woning te B hebben gefinancierd en de nota van afrekening van de notaris van de aankooptransactie;

o) de geldleningsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de hypotheekakte van 23 april 2003 van € 160.503,53 althans, bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst, bescheiden waaruit blijkt welke rente appellanten aan erflater over het geleende bedrag van € 160.503,53 verschuldigd waren en betaalbewijzen van de voldoening van de verschuldigde rente;

p) bescheiden waaruit blijkt dat appellanten de hypothecaire geldlening van € 160.503,53, met als onderpand het onroerend goed, hebben afgelost en op welke wijze;

q) bescheiden waaruit blijkt op welke wijze appellante de aanschaf van de woningen heeft gefinancierd en de afschriften van de nota’s van afrekening van de notaris;

r) de geldleningsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de hypotheekakte van 21 november 2003 van € 112.900,- althans, bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst, bescheiden waaruit blijkt welke rente appellante aan erflater over het geleende bedrag van € 112.900,- verschuldigd was en betaalbewijzen van de voldoening van de verschuldigde rente;

s) bescheiden waaruit blijkt dat appellante de hypothecaire geldlening van € 160.503,53, met als onderpand het onroerend goed te B, heeft afgelost en op welke wijze;

u) bescheiden waaruit blijkt op welke wijze appellanten de aanschaf van de garage hebben gefinancierd en de nota van afrekening van de notaris van de aankooptransactie;

v) aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting 1990 t/m 2009 van erflater;

y) een machtiging voor de belastingdienst voor het opvragen van eventueel ontbrekende aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting en erfbelasting;

Erfrecht. Legitieme. Kort geding. Spoedeisend belang. Reikwijdte informatieverplichting van erfgenamen en executeur tegenover legitimaris. Welke stukken moeten verstrekt worden?

De rechter oordeelt als volgt.

Wettelijk kader: reikwijdte van art. 4:78 Burgerlijk Wetboek (BW)

Art. 4:78 lid 1 BW houdt in dat een legitimaris die niet erfgenaam is – zoals geïntimeerde – tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft.

De erfgenamen en de executeurs moeten hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken.

Deze informatieverplichting moet, gelet op de wetsgeschiedenis, zo ruim mogelijk worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

In dit verband is artikel 4:65 BW van belang: de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

In artikel 4:67 BW is bepaald welke giften bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen: dit betreft onder meer giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris is van de erflater.

In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of de informatieverplichting van appellanten zo ver gaat dat zij de door geïntimeerde gevorderde bescheiden moeten verstrekken.

Appellanten stellen dat de voorzieningenrechter het informatierecht te ruim heeft uitgelegd, en volgens geïntimeerde heeft de voorzieningenrechter juist een te beperkte uitleg gehanteerd.

Spoedeisend belang

De eerste grief in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat geïntimeerde een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

De voorzieningenrechter kon niet volstaan met de algemene overweging dat tijdsverloop het risico met zich brengt dat informatie verloren gaat, maar had per vordering moeten beoordelen of van een dergelijk risico sprake was.

Dit geldt in het bijzonder voor de veroordeling tot het verstrekken van bescheiden van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015: deze bescheiden moeten uit de administraties van erflaters dan wel van appellanten komen en deze vordering had daarom in een bodemprocedure kunnen worden gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Bij vorderingen tot het verstrekken van bescheiden als door geïntimeerde gedaan, zijn – in ieder geval ten aanzien van een deel van de bescheiden – de bewaartermijnen die de banken en de belastingdienst in acht nemen van belang.

Hierdoor bestaat het risico dat door tijdsverloop informatie verloren gaat, en geïntimeerde heeft in zoverre een spoedeisend belang bij haar vordering.

Het hof begrijpt dat de grief van appellanten ook niet ziet op het spoedeisend belang bij deze bescheiden.

Het hof volgt appellanten niet in hun stelling dat een andere afweging gemaakt moet worden voor bescheiden waarvoor dit risico niet zou gelden.

Nog afgezien van de vraag of een dergelijk onderscheid duidelijk te maken is, is het om proceseconomische redenen niet wenselijk om de vordering van geïntimeerde deels niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat zij die in een bodemprocedure aanhangig zou moeten maken. Het gaat immers om één en dezelfde grondslag voor haar vordering, het informatierecht van art. 4:78 BW, teneinde geïntimeerde in staat te stellen een berekening te maken van haar legitieme aanspraak voor een eventuele bodemprocedure.

Appellanten betogen dat geïntimeerde geen belang heeft bij haar vordering.

Zij stellen dat erflaters hebben verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot en met 2010 woongenot hebben geschonken aan geïntimeerde en haar broer, welk woongenot is becijferd op een totale waarde van € 160.000,-.

Deze gift moet op grond van artikel 4:70 BW in mindering gebracht op haar legitieme portie, zodat deze op nihil uitkomt.

Dat geldt ook in het geval er nog van een schenking aan appellanten zou blijken.

Het hof overweegt als volgt.

Geïntimeerde heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van een gift van erflaters aan haar, zodat dit niet vast staat.

Daarbij komt – zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen – dat de conclusie dat de legitimaire portie van geïntimeerde na vermindering van een gift aan haar op nihil uitkomt pas mogelijk is na berekening van de legitimaire massa.

Geïntimeerde stelt nu juist dat zij bij gebreke van voldoende informatie daartoe niet in staat is.

De grief faalt.

De reikwijdte van art. 4:78 BW

Appellanten stellen zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter een te ruime toepassing heeft gegeven aan artikel 4:78 BW. Zij voeren aan dat uit jurisprudentie volgt dat er redenen zijn om een meer beperkte reikwijdte aan te nemen, te weten:

als zulks leidt tot een feitelijke omkering van de stel- en bewijslast;

als de verzochte stukken niet reeds op voorhand zien op een concrete schenking, mede omdat van een bevoordelingsbedoeling reeds op voorhand geen sprake is, althans die bevoordelingsbedoeling niet voldoende is gesteld;

als zulks leidt tot een verkapte vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording;

als daarmee aan de relativiteit van art. 4:78 BW wordt voorbij gegaan;

als gevolg van de afname van het maatschappelijk draagvlak voor de rechtsfiguur van de legitieme portie.

Het hof wijst erop dat appellanten in de toelichting bij de grief niet expliciet hebben aangegeven voor welke bescheiden, die zij aan geïntimeerde moeten verstrekken, geldt dat de voorzieningenrechter een te ruime toepassing heeft gegeven aan artikel 4 :78 BW.

Alleen in de inleiding van de memorie benoemen zij dat de te ruime uitleg tot het probleem leidt dat appellanten stukken moeten verstrekken over het vermogensverloop van erflaters tijdens leven, hetgeen neer komt op een verkapte vorm van rekening en verantwoording.

Het wordt het hof ook niet duidelijk in hoeverre de grief is gericht tegen de veroordeling tot het verstrekken van stukken waaraan appellanten reeds hebben voldaan.

Naar het oordeel van het hof is de informatieverplichting van artikel 4:78 BW niet zo verstrekkend, zoals wel in de literatuur wordt verdedigd, dat de legitimaris steeds recht heeft op dezelfde informatie als de erfgenaam.

Een legitimaris kan niet zonder meer aanspraak maken op het verkrijgen van inzicht in het vermogensverloop over jaren voor het overlijden van erflater.

Maar de legitimaris moet wel in de gelegenheid worden gesteld na te gaan of en tot welk bedrag giften zijn gedaan die van belang zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa.

Bankafschriften kunnen voor de beantwoording van deze vraag van belang zijn.

De legitimaris heeft er recht op en belang bij om dit te kunnen nagaan, welk belang daarmee ook anders is dan het belang van de erfgenamen (GHDHA:2020:2329).

Hoever de informatieplicht reikt en welke stukken die omvat moet per geval beoordeeld worden.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat er omstandigheden aanwezig zijn die de vraag doen rijzen of appellanten alle giften hebben opgegeven.

Het hof wijst in dit verband op het feit dat erflaters bij leven hun vermogen hebben willen overhevelen naar appellanten – door hun advocaat is ter zitting aangegeven dat er sprake is geweest van estate-planning.

Er hebben transacties met een aandelenportefeuille en onroerend goed tussen erflaters en appellanten plaatsgevonden, die – volgens appellanten – tot vorderingen over en weer hebben geleid.

Niet inzichtelijk is op welke wijze appellanten vorderingen op erflaters hebben verkregen en op welke wijze de vorderingen over en weer al dan niet zijn voldaan.

Er was – naar het oordeel van het hof – sprake van een zekere financiële verwevenheid tussen erflaters en appellanten: behalve de genoemde transacties was er een periode dat appellanten en periodiek “voorgeschoten” bedragen aan erflaters betaalden die met de door appellanten aan hun ouders schuldig gebleven koopsom voor de aandelenportefeuille zouden zijn verrekend, maar onduidelijk blijft waar deze betalingen precies betrekking op hadden.

Overige appellant heeft ter zitting bovendien nog verklaard dat er een overzicht en/of schema’s bestaan van betalingen op de ontstane schulden.

Appellanten zijn dan ook terecht veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015.

De veroordeling betreft weliswaar geen specifiek aangeduide stukken, maar het hof acht een nadere precisering door geïntimeerde ook niet mogelijk.

Dat brengt met zich dat het verbinden van een dwangsom aan deze veroordeling niet passend is.

De vraag of appellanten zich wel of niet voldoende hebben ingespannen om aan deze veroordeling te voldoen en wat de gevolgen daarvan zouden moeten zijn, moet in een bodemprocedure tot vaststelling van de legitimaire aanspraak worden beantwoord.

Zoals hiervoor aangegeven wordt in de toelichting bij de grief niet duidelijk in hoeverre die gericht is tegen de veroordeling tot het verstrekken van de andere bescheiden.

Wat de algemene bezwaren van appellanten betreft, zoals hiervoor onder a. tot en met e. aangegeven, overweegt het hof nog als volgt:

a tot en met c.:

Het gaat – binnen zekere grenzen die afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval zoals hiervoor aangegeven – om een wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken.

Er is dus geen sprake van een omkering van de stel- en bewijslast, verkapte rekening en verantwoording of niet voldoen aan stelplicht aan de kant van geïntimeerde.

Het gaat in deze fase alleen nog maar om het verschaffen en verkrijgen van inlichtingen, de fase van stellen en bewijzen van de omvang van de legitimaire massa en – in dat kader – van eventueel gedane giften is nog niet aangebroken.

Dat geldt ook voor de vraag of wel of niet sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling;

Dat de informatieplicht beperkt is tot erfgenamen en de executeurs staat niet ter discussie;

De maatschappelijke discussie over de legitieme portie doet niet af aan de geldende wettelijke regelingen.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de tweede grief van appellanten faalt.

De derde grief in principaal appel is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat appellanten aan geïntimeerde moeten uitleggen waarom bepaalde stukken niet verstrekt kunnen worden en dat zij zich voorafgaand dienen in te spannen om de betreffende stukken te verkrijgen.

Appellanten voeren aan dat niet duidelijk is op welke informatie deze overweging ziet, welke inspanningen van appellanten mogen worden verwacht en welke uitleg (nog meer) moet worden gegeven.

Het hof stelt vast dat deze grief niet is gericht tegen een beslissing in het dictum.

Het hof gaat dan ook aan deze grief voorbij.

Daarbij verwijst het hof naar hetgeen eerder is overwogen.

Overige gevorderde bescheiden

In de grief stelt geïntimeerde dat de afgifte van de volgende bescheiden ten onrechte door de voorzieningenrechter is geweigerd:

f) polissen van de verzekeringen/lijfrentes die vermeld staan op het overzicht van de nalatenschap van erflaatster en de bescheiden over de uitkeringen;

g) bescheiden die ten grondslag liggen aan de posten:

– nog te betalen bedragen;

– kosten begrafenis;

– kosten grafsteen;

welke staan vermeld op het overzicht van de nalatenschap van erflaatster.

Met betrekking tot de opgevoerde kosten van lijkbezorging merkt geïntimeerde op dat zij deze bescheiden nodig heeft om te kunnen beoordelen of deze kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, en derhalve als schuld ex artikel 4:7 lid 1 sub b BW heeft te gelden die op grond van artikel 4:65 BW voor de berekening van de legitieme portie van de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt afgetrokken.

Het hof overweegt als volgt.

De vordering onder f. is toegewezen slechts voor zover die betrekking heeft op de polissen, maar niet met betrekking tot “de bescheiden over de uitkeringen”.

De voorzieningenrechter heeft de onder f) gevorderde bescheiden over de uitkeringen afgewezen, omdat onduidelijk is wat geïntimeerde hiermee bedoelt.

Geïntimeerde heeft dit ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt, zodat dit deel van de vordering niet kan worden toegewezen.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevorderde bescheiden onder g) voor de berekening van de legitieme portie niet relevant zijn: de posten als zodanig zijn niet betwist.

Appellanten zijn niet verplicht om een algemene rekening en verantwoording af te leggen.

Voor zover geïntimeerde de kosten van lijkbezorging wil aanvechten omdat deze niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van erflaatster, is dit een punt voor een bodemprocedure waarin de omvang van de legitimaire aanspraak wordt vastgesteld.

De eerste grief faalt.

De bescheiden : de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting 1990 tot en met 2009

De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen omdat aannemelijk is dat appellanten deze stukken niet voorhanden hebben.

Geïntimeerde voert aan dat appellanten de verplichting hebben om bij de belastingdienst na te vragen of deze informatie nog voorhanden is.

Indien dat niet het geval blijkt dienen zij het bericht daarover aan haar over te leggen.

Het hof stelt vast dat in het vonnis van 21 oktober 2021 appellanten zijn veroordeeld om aan geïntimeerde te verstrekken de aangiften inkomstenbelasting voor zover daaruit blijkt van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015.

Aan deze veroordeling heeft de voorzieningenrechter een dwangsom verbonden.

Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

Naar het oordeel van het hof heeft geïntimeerde dan ook geen belang meer bij deze grief voor zover die betrekking heeft op de periode van 2000 tot 2015.

Dan resteert de periode van 1990 tot en met 1999.

Appellanten hebben aan geïntimeerde een brief van de belastingdienst overgelegd, waaruit blijkt dat de belastingdienst niet beschikt over gegevens van vóór 2007.

Verder hebben zij gesteld dat wat zij aan aangiftes hebben, inmiddels te hebben verstrekt.

Ter zitting heeft geïntimeerde aangevoerd dat zij nog geen aangiftes van erflaatster heeft ontvangen, appellanten hebben hier tegenover gesteld dat deze stukken niet van belang zijn omdat erflaters tijdens leven gezamenlijk aangifte deden.

Naar het oordeel van het hof hebben appellanten voldoende onderbouwd dat de gegevens van vóór 2007 niet meer bij de belastingdienst beschikbaar zijn.

Voor het overige is het hof van oordeel dat geïntimeerde geen belang heeft bij een – afzonderlijke – veroordeling tot het overleggen van aangiftes inkomstenbelasting van erflaatster omdat uit de aangifte van erflater het totale vermogen blijkt.

Bovendien vallen ook deze stukken onder de meer algemene veroordeling tot het verstrekken van aangiften voor zover daaruit blijkt van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode van 2000 tot en met 2015.

De machtigingen

De geïntimeerde stelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de onder c) en y) gevorderde machtigingen heeft afgewezen.

c) een machtiging voor de ABN Amro bank voor het opvragen van eventueel ontbrekende bankafschriften voor de periode 2010 t/m 2017,

y) een machtiging voor de belastingdienst voor het opvragen van eventueel ontbrekende aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting en erfbelasting.

Het hof verwijst naar hiervoor genoemd kort geding vonnis van 21 oktober 2012.

Geïntimeerde is hierin gemachtigd om op kosten van appellanten bij de ABN Amro Bank op te vragen alle bankproducten vanaf 5 januari 2010 tot en met 2017 in de administratie bekend op naam van de (erven) erflater en/of de (erven) erflaatster.

Geïntimeerde heeft dus geen belang meer bij haar vordering onder c).

Het hof ziet evenmin aanleiding aan geïntimeerde een machtiging te verlenen voor het opvragen van ontbrekende aangiftes en aanslagen, mede gelet op wat hiervoor is overwogen.

In het genoemde vonnis is al een dwangsom verbonden aan de veroordeling om de aangiften inkomstenbelasting te verstrekken voor zover daaruit blijkt van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015.

Geïntimeerde bestrijdt niet dat de belastingdienst niet beschikt over gegevens van vóór 2007.

Appellanten hebben ter zitting toegezegd na te vragen of nog stukken bij de accountant van erflaters voorhanden zijn.

Het hof ziet onder deze omstandigheden geen meerwaarde in het verlenen van een machtiging aan geïntimeerde.

Voor zover appellanten in de onmogelijkheid verkeren om aan de veroordeling te voldoen omdat de belastingdienst en/of de accountant niet meer over deze stukken beschikt, ligt het op hun weg dat aan geïntimeerde aan te tonen.

Zoals gezegd zal in een bodemprocedure de vraag aan de orde kunnen komen of hieraan gevolgen moeten worden verbonden.

De bescheiden onder j. tot en met u.

Geïntimeerde stelt dat deze vorderingen ten onrechte zijn afgewezen.

Haar vorderingen strekken niet tot het afleggen van rekening en verantwoording, zij vraagt om concrete bescheiden die onder het bereik van artikel 4:78 BW vallen.

Zij heeft deze bescheiden nodig om haar legitieme portie te berekenen.

Tussen erflaters en appellanten hebben veel onroerend goed transacties plaatsgevonden die gepaard zijn gegaan met giften.

Erflaters hebben hun vermogen overgeheveld naar appellanten om hiermee de nalatenschap “uit te hollen”, om er voor te zorgen dat er zo min mogelijk bij de fiscus en bij geïntimeerde en haar broer terecht zou komen.

Duidelijk is dat appellanten pogen om giften te verhullen voor geïntimeerde en haar broer.

Zoals hiervoor al overwogen geven de transacties die tijdens leven tussen erflaters en appellanten hebben plaats gevonden aanleiding tot vragen en komt aan geïntimeerde het recht toe bepaalde bescheiden te vorderen om na te gaan of er sprake is van meer giften dan opgegeven, zodat zij haar legitieme portie kan berekenen.

Appellanten zijn dan ook veroordeeld bescheiden te verstrekken die betrekking hebben of duidelijkheid kunnen geven over deze transacties.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevraagde stukken onder j. tot en met u. in beginsel niet onder het bereik van artikel 4:78 BW vallen.

Immers, de vorderingen strekken er toe dat appellanten tegenover geïntimeerde volledig inzichtelijk zouden moeten maken hoe zij hun eigen woningen en onroerend goed hebben gefinancierd en verworven.

Daarbij zijn ook hun echtgenoten betrokken.

Op grond van artikel 4:78 BW kunnen inlichtingen over de nalatenschap worden gevraagd.

De financiële handel en wandel van appellanten (en hun echtgenoten) valt hier niet onder.

Het hof wijst er op dat in het lijstje j. tot en met u. stukken zijn opgenomen die (kunnen) vallen onder de veroordeling van appellanten om aan geïntimeerde bescheiden te verstrekken van het ontstaan en de voldoening van de schulden van erflater en/of erflaatster aan appellanten en van appellanten aan erflater en/of erflaatster betreffende de periode vanaf 2000 tot en met 2015.

Dit geldt bijvoorbeeld voor de bescheiden onder j), o), p) en r).

Een aparte veroordeling met betrekking tot deze stukken is daarom niet nodig, temeer nu niet duidelijk is over welke stukken appellanten nog (kunnen) beschikken.

Met betrekking tot de gevraagde taxatierapporten merkt het hof op dat appellanten hebben aangegeven dat aan de transacties taxaties ten grondslag hebben gelegen maar dat die niet meer voorhanden zijn.

Bovendien geldt dat, indien geïntimeerde zich op het standpunt stelt dat bij de transacties tussen erflaters en appellanten geen reële waarden van het onroerend goed zijn gehanteerd, het op haar weg ligt deze stelling te onderbouwen.

De inlichtingenplicht van artikel 4:78 BW is daarvoor niet bedoeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.