Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 juli 2022 uitspraak gedaan over de stelplicht en bewijslast voor giften bij de berekening van de legitieme.
Het hoger beroep van geïntimeerde ziet op de door de rechtbank bij de vaststelling van de legitimaire massa in aanmerking genomen giften van in totaal € 90.000,- die geïntimeerde in de periode 23 augustus 2006 tot 10 juli 2009 zou hebben ontvangen.
Geïntimeerde stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door hem onvoldoende is betwist dat door hem giften zijn verkregen en dat het hem kan worden verweten dat over de periode 23 augustus 2006 tot 10 juli 2009 niet alle bankafschriften voorhanden zijn.
Geïntimeerde wijst op de bewaarplicht van de bank waarbij afschriften voor slechts 7 jaar bewaard worden.
Door de gekozen wijze van procederen door appellante werd geïntimeerde pas op 23 december 2015 veroordeeld om bankafschriften over te leggen.
Appellante voert gemotiveerd verweer en stelt onder meer dat moeder gezien haar leeftijd nauwelijks kosten maakte, zodat zij bij een normale belegging van de aanwezige tegoeden en gezien de huurinkomsten een aanzienlijke vermogensgroei verwacht had mogen worden, welke vermogensgroei is uitgebleven.
Geïntimeerde is de enige die over relevante informatie beschikt, maar hij weigert appellante daarvan te voorzien.
Onder deze omstandigheden is het gerechtvaardigd voorshands aan te nemen dat de legitimaire massa met duidelijk meer dan € 400.000,-, waar de ondergrens voor appellante ligt gezien het door de voorzieningenrechter aan de dwangsom verbonden maximum, moet worden vermeerderd.
Appellante vindt het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat in de periode sinds het overlijden van vader tot aan het overlijden van moeder, ruim dertien jaren, structureel als giften in aanmerking te nemen overhevelingen hebben plaatsgevonden.
Zij acht het verantwoord deze te stellen op een bedrag van gemiddeld € 30.000,- per jaar, in totaal dus € 400.000,-, aldus appellante.
De rechtbank heeft geoordeeld dat geïntimeerde over de periode 23 augustus 2006 tot 10 juli 2009 niet alle bankafschriften heeft kunnen verstrekken, zodat onvoldoende kan worden nagegaan of er vermogensoverhevelingen ten laste van moeder en ten gunste van geïntimeerde hebben plaatsgevonden en geïntimeerde voor wat betreft die periode onvoldoende heeft voldaan aan zijn betwistplicht, zodat de rechtbank bij de bepaling van de legitimaire massa is uitgegaan van een totaalbedrag van € 90.000,- aan giften.
Erfrecht. Legitieme. Giften. Stelplicht en bewijslast. Vermogensoverheveling. Inzage in bankafschriften ter vaststelling van giften. Inkomstenbelasting. Schenkingsbelasting.
De rechter overweegt als volgt.
Omdat appellante zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde giften aan geïntimeerde rust op haar de stelplicht en bewijslast op grond van artikel 150 Rv.
Het feit dat geïntimeerde niet (tijdig) heeft voldaan aan zijn informatieplicht en hij niet beschikt over bankafschriften uit de periode 23 augustus 2006 tot en met 10 juli 2019, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat indien die stukken wel zouden zijn overgelegd er wel giften van in totaal € 90.000,- aan hem zouden zijn gedaan.
De vraag of geïntimeerde zich voldoende heeft ingezet om de gevraagde informatie te krijgen ligt niet voor in deze procedure.
Geïntimeerde heeft uitdrukkelijk betwist dat hij giften heeft ontvangen.
Volgens geïntimeerde blijkt uit de door hem overgelegde aangiftes inkomstenbelasting dat het vermogen van moeder in de betreffende periode niet met € 30.000,- is afgenomen, maar dat haar vermogen zelfs toenam.
Als door moeder andere schenkingen dan geïntimeerde heeft genoemd zouden zijn gedaan, dan zou de notaris daarvan weet hebben gehad.
Moeder besprak dergelijke zaken met de notaris en bovendien had dan aangifte schenkingsbelasting gedaan moeten zijn, hetgeen niet het geval is.
Enig bewijs waaruit blijkt dat geïntimeerde van moeder schenkingen van € 30.000,- heeft ontvangen ontbreekt, aldus geïntimeerde.
Geïntimeerde heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat moeder veel bankstukken heeft vernietigd en dat ontbrekende bankstukken niet meer kunnen worden opgevraagd bij de bank.
Gelet op dit gemotiveerde verweer van geïntimeerde had het op de weg van appellante gelegen om haar stelling nader te onderbouwen.
Appellante heeft dat niet, althans onvoldoende gedaan.
Een andere grondslag voor toewijzing van de vordering met betrekking tot de giften is door appellante in hoger beroep niet gegeven.
Het hof is dan ook van oordeel dat appellante – gezien de gemotiveerde betwisting door geïntimeerde – de vordering onvoldoende heeft onderbouwd.
Het hof zal dan ook bij de berekening van de legitieme geen rekening houden met de door appellante gestelde giften.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.