Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vaststelling van de omvang van de legitieme en het verstrekken van de benodigde gegevens daartoe.
Vaststelling omvang legitieme. Verstrekken van de benodigde gegevens voor het vaststellen van de legitieme.
Bij tussenvonnis van 22 februari 2017 is bepaald dat gedaagde kopieën in het geding moet brengen van de bankafschriften waaruit de saldi van de bankrekeningen van erflater per diens overlijdensdatum blijken. Daarbij is overwogen dat gedaagde in ieder geval afschriften van de volgende rekeningen van erflater in het geding moet brengen: de rekening bij Rabobank met nummer [1] ; de rekening bij Rabobank met nummer [2] ; de rekening bij ING-bank met nummer [3] ; de rekening bij ING-bank met nummer [4].
Bij akte heeft gedaagde de navolgende stukken overgelegd: twaalf afschriften van de rekening bij ING-bank met nummer [5]; vijf afschriften van de rekening bij ING-bank met nummer [4]; het financieel jaaroverzicht 2012 van de rekeningen bij Rabobank met nummers [1] en [2]; twee bankafschriften van de rekening bij Rabobank met nummer [1].
Uit de door gedaagde in het geding gebrachte stukken leidt de rechtbank het volgende af:
– het saldo op de rekening met nummer [3] bedroeg per [dag-maand] 2012 € 46,39;
– het saldo op de rekening met nummer [4] bedroeg per [dag-maand] 2012 € 119,35;
– het saldo op de rekening met nummer [1] bedroeg per [dag-maand] 2012 € 208,99.
Afschriften van de rekening bij Rabobank met nummer [2] ontbreken, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat het saldo van deze rekening was op het moment van overlijden van erflater. Om redenen van efficiency, en nu eiser heeft verzocht om eindvonnis te wijzen in deze zaak, gaat de rechtbank ervan uit dat het saldo op voornoemde bankrekening € 120,82 bedroeg, te weten het hoogste van de twee bedragen die zijn vermeld op het financieel jaaroverzicht 2012.
In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat het banksaldo van erflater op het moment van diens overlijden € 495,55 bedroeg.
Omvang legitimaire massa
Met inachtneming van hetgeen de rechtbank bij tussenvonnis van 12 oktober 2016 overwoog, is de legitimaire massa als volgt samengesteld:
Activa:
woning € 630.000,00
vordering op gedaagde € 260.054,00
schenkingen aan gedaagde € 239.446,00
banksaldi € 495,55
Passiva:
hypotheekschuld € 442.546,00
schuld aan eiser m.b.t. huurinkomsten € 32.261,89
Totaal € 655.187,66
De legitimaire vordering
Nu, zoals de rechtbank bij tussenvonnis van 22 februari 2017 overwoog, ervan moet worden uitgegaan dat eiser de enige afstammeling is van erflater, kan hij aanspraak maken op de helft van de legitimaire massa. Zijn legitimaire aanspraak bedraagt derhalve € 332.593,83. Gedaagde zal in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflater worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan eiser.
Zoals de rechtbank in haar tussenvonnis overwoog, zal gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur worden veroordeeld tot betaling aan eiser van een bedrag van € 32.261,89. Dit bedrag betreft de vordering van eiser op erflater in verband met het aan eiser toekomende aandeel in de huurinkomsten van de gezamenlijke loods over de periode tussen 2006 en 1 januari 2012. Nu vaststaat dat gedaagde de aan eiser toekomende huurinkomsten vanaf 1 januari 2012 zelf heeft behouden, heeft eiser voor de aan hem toekomende huurinkomsten vanaf dat moment een vordering op gedaagde in privé. De rechtbank heeft dit bedrag bij eerder genoemd tussenvonnis becijferd op € 20.080,12. Gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2016.
De advocaat van eiser vordert een bedrag van € 5.096,45 aan buitengerechtelijke kosten, daartoe stellend dat hij in de aanloop van deze procedure kosten heeft gemaakt voor het vergaren van informatie over de omvang van de nalatenschap en voor de communicatie met gedaagde in een poging een minnelijke regeling te bereiken. Gedaagde heeft deze stellingen niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu de kosten na 1 juli 2012 zijn gemaakt. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten, in overeenstemming met de richtlijnen van voornoemd besluit en op basis van het toegewezen bedrag, vaststellen op € 3.700,00.
Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of het kindsdeel in een nalatenschap of over de berekening van de legitieme portie, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.