Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het passeren van het testament. Legitieme portie. Verstrekken van inzage in relevante gegevens? Inbrengplicht?

Wilsonbekwaamheid erflater en nietigheid testament?

Uit artikel 3:34 BW volgt dat een testament dat is opgemaakt terwijl de testateur onder invloed van een geestelijke stoornis verkeerde, nietig is. Evenwel moet degene die zich beroept op die geestelijke stoornis stellen en zo nodig bewijzen dat:

  1. de geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wil betrokken belangen belette en
  2. het testament onder invloed van die stoornis tot stand is gekomen.

De rechter dient bij de toetsing hiervan terughoudendheid te betrachten nu het vooral de taak van de notaris is om ten tijde van het passeren van het testament te controleren of de testateur op dat moment wilsbekwaam is.

Dat betekent dat aan de stellingen van eiseres omtrent de wilsonbekwaamheid van erflater hoge eisen gesteld mogen worden.

Eiseres heeft in dat verband gewezen op de volgende omstandigheden:

– erflater heeft in een periode van een half jaar voor zijn overlijden tot drie maal toe een testament laten opmaken, terwijl het laatste testament circa twee weken voor zijn overlijden is opgemaakt notabene door een andere notaris dan de notaris die dat daarvoor had gedaan;

– erflater was ten tijde van het passeren van het laatste testament ernstig ziek en daardoor waren ook zijn geestelijke vermogens beperkt, hetgeen ook wel blijkt uit de omstandigheid dat hij vlak voor opname in het hospice meende te zijn vergiftigd;
– de passerend notaris heeft het zogenoemde stappenplan niet gebruikt;
– de andere twee kinderen van erflater oefenden sterke druk op hem uit.

Gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn verweer dat erflater wilsbekwaam was ten tijde van het passeren van het laatste testament, verwezen naar de brief van de notaris van 5 maart 2015. Voorts heeft hij ter comparitie verklaard dat hij erflater in het hospice meerdere malen heeft bezocht en dat erflater tot op het laatst helder van geest was en goed wist wat hij wilde.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden los van elkaar maar ook in samenhang bezien, haar stelling dat erflater ten tijde van het passeren van het laatste testament niet wilsbekwaam was, niet kunnen dragen.

Vast staat dat eiseres erflater in de laatste drie maanden van zijn leven niet heeft kunnen bezoeken en dus ook niet uit eigen wetenschap kan verklaren over zijn geestelijke toestand ten tijde van het passeren van het laatste testament. Dat erflater ten tijde van zijn opname in het hospice mogelijk verward was, blijkend uit zijn vrees te zijn vergiftigd, maakt nog niet dat hij ten tijde van het passeren van het laatste testament, geruime tijd later, wilsonbekwaam was.

Ook de omstandigheid dat erflater terminaal ziek was, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hij wilsonbekwaam was toen hij het laatste testament tekende. Uit de verklaringen van gedaagde en van de passerend notaris blijkt veeleer het tegendeel: eiseres was helder en overzag de consequenties van zijn besluiten. Het stappenplan waarnaar eiseres verwijst, moet alleen door de notaris worden toegepast indien deze aanleiding heeft om te veronderstellen dat erflater niet wilsbekwaam was en, zoals uit zijn verklaring blijkt, die aanleiding had de notaris nu juist niet.

De omstandigheid dat erflater in een periode van een half jaar voor zijn overlijden meerdere malen een nieuw testament heeft opgemaakt, zegt mogelijk iets over de veranderlijkheid van zijn wil maar niet dat erflater wilsonbekwaam was.

Ten slotte valt weliswaar niet uit te sluiten dat erflater onder sterke druk van zijn andere twee dochters heeft gestaan, maar ook daaruit valt niet zonder meer af te leiden dat erflater niet wilsbekwaam was.

Zoals hiervoor overwogen, moet voor een geslaagd beroep op nietigheid vast komen te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater en dat hij onder invloed daarvan zijn laatste testament heeft opgemaakt. Weliswaar kan uit de door eiseres aangevoerde omstandigheden (mogelijk) worden afgeleid dat erflater onder invloed van zijn andere twee dochters en de bij hem ontstane gedachte dat eiseres zijn dochter niet was, zijn laatste testament heeft opgemaakt, maar daarmee is van een geestelijke stoornis of van het onder invloed daarvan opmaken van het testament nog niet gebleken. De conclusie is dan ook dat het beroep op nietigheid faalt.

Tegen de subsidiaire vordering van eiseres is geen verweer gevoerd, zodat deze voor toewijzing gereed ligt. In deze procedure moet, nu van het tegendeel niet is gebleken, ervan worden uitgegaan dat eiseres de afstammeling van erflater is en door de wet als erfgenaam tot de nalatenschap is geroepen. Uit dien hoofde kan zij, als legitimaris ex artikel 4:63 BW, aanspraak maken op de legitieme portie.

Legitieme. Inlichtingen ter vaststelling omvang legitieme.

Ook de vordering tot het verstrekken van inzage in relevante gegevens is toewijsbaar. Uit artikel 4:78 BW volgt immers dat de legitimaris die niet erfgenaam is (i.c. eiseres) jegens (onder meer) de executeur aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft en dat de executeur haar desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekt.

Onder die bescheiden behoort in elk geval een deugdelijke boedelbeschrijving die gedaagde uit hoofde van zijn executeurschap hoe dan ook had moeten maken (zie artikel 4:146 BW). Met het uitsluitend over leggen van enkele bankafschriften is niet aan de verplichtingen zoals bedoeld in de artikelen 4:78 en 4:146 BW voldaan. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals na te melden.

Inbrengplicht

De reconventionele vordering ziet op een gift van circa € 9.000,- die eiseres van erflater zou hebben gekregen. Gedaagde stelt dat eiseres gehouden is tot inbreng van dat bedrag in de nalatenschap. Op dit punt is verwarring ontstaan omdat partijen ieder een andere versie van het laatste testament in het geding hebben gebracht. In het door eiseres in het geding gebrachte exemplaar staat:

“ONTERVING
Ten derde:
Ik sluit eiseres, geboren te (woonplaats) op (geboortedatum) en haar afstammelingen, uit als erfgename(n) in mijn nalatenschap. Ik onterf voornoemde eiseres omdat er ernstige twijfels zijn dat ik haar biologische vader ben.”

In het door gedaagde overgelegde exemplaar is aan voornoemde passage nog het volgende toegevoegd:
“Indien mocht blijken dat eiseres een beroep kan doen op haar legitieme portie in mijn nalatenschap, dan verplicht ik haar in mijn nalatenschap in te brengen de reeds door mij aan haar geschonken (spaar)banktegoeden van circa negenduizend euro (€ 9.000,00).”

Voor het overige zijn de beide testamenten woordelijk gelijk. Notaris van der V heeft desgevraagd op 1 september 2016 aangegeven dat het door gedaagde overgelegde exemplaar (met de inbrengclausule) het op 29 augustus 2014 bij mr. S gepasseerde testament is. Die verklaring sluit ook aan op de omstandigheid dat dat exemplaar, anders dan de door eiseres overgelegde versie, is voorzien van een repertoriumnummer, op alle pagina’s is geparafeerd en is ondertekend door notaris S en erflater.

De hiervoor bedoelde inbrengbepaling heeft in deze geen betekenis nu op grond van het bepaalde in artikel 4:229 BW uitsluitend erfgenamen tot inbreng verplicht kunnen zijn.

Eiseres is door erflater echter onterfd en derhalve geen erfgenaam. De omstandigheid dat eiseres aanspraak heeft gemaakt op de legitieme maakt dit niet anders: die aanspraak is een verbintenisrechtelijke vordering op de nalatenschap en maakt eiseres niet tot erfgenaam.

Voorts geldt dat voor zover eiseres al tot enige inbreng gehouden zou zijn, deze inbreng ex artikel 4:233 BW nooit groter kan zijn dan het aan haar toekomende aandeel in de nalatenschap. Het voorgaande maakt tevens dat de discussie tussen partijen over de vraag of eiseres het gespaarde bedrag van € 9.000,- al dan niet heeft ontvangen, irrelevant.

In de omstandigheid dat partijen in conventie en reconventie over en weer deels in het gelijk / ongelijk zijn gesteld, de aard van de procedure en de relatie tussen partijen ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, de wilsonbekwaamheid van de erflater, over de nietigheid van een testament, over onterving en een beroep op de legitieme, de berekening van de legitieme of over de inbrengplicht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.