Stel: je bent niet onterfd, erflater (vader of moeder) had direct voorafgaand aan zijn of haar overlijden geen schulden en toch eindig jij met een schuld van € 100.000,00 die je zelf moet betalen. Dat besloot de Rechtbank Limburg op 6 december 2017. En naar de letter van de wet volstrekt terecht.

Erflater heeft in zijn testament een legaat van € 100.000,00 opgenomen ten laste van zijn erfgenamen. Er zijn naast de legataris drie erfgenamen die allen zuiver hebben aanvaard.

In artikel 4:181 lid 1 en 2 onder a BW is bepaald dat een schuldeiser van de nalatenschap zijn of haar vordering op de
goederen van de nalatenschap kan verhalen. Gedaagden, die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, zijn verplicht de schuld uit privévermogen te voldoen voor zover de nalatenschap tekort schiet.

Omdat de nalatenschap door gedaagden zuiver is aanvaard, is het bepaalde in artikel 4:120 BW van toepassing. Dat artikel bepaalt dat schulden van de nalatenschap uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan (lid 1) en dat voor zover de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit legaten te voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie zij rusten, de schulden worden verminderd (lid 2). Uit het bepaalde in lid 5 van dat artikel volgt echter dat ondanks de vermindering (van lid 2) de erfgenamen met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn tot voldoening van het geheel.

De erfgenamen proberen er onderuit te komen door zich op hun legitieme portie te beroepen. Maar die vlieger gaat niet op, omdat een inkorting van het legaat op grond van artikel 4:87 BW moet worden ingesteld tegen de erfgenamen, lees gedaagden, en dus gedeeltelijk tegen henzelf (artikel 4:79 BW). Bovendien kan een dergelijk beroep er slechts toe leiden dat de schuld om het legaat te voldoen uit hun erfdelen wordt veminderd, maar dat laat onverlet dat hetgeen de legataris toekomt uit haar legaat maar niet kan worden voldaan uit de erfdelen van gedaagden op grond van een beroep op de legitieme, kan worden verhaald op het gehele privévermogen van gedaagden, en derhalve niet enkel op hetgeen zij erven (artikel 4:120 lid 5 BW).

Gedaagden hadden aan die voor hen nadelige gevolgen van het legaat kunnen ontkomen, door op de voet van het bepaalde in artikel 4:63 lid 3 BW de nalatenschap te verwerpen en gelijktijdig een verklaring af te leggen met de strekking dat zij hun legitieme portie wensen te ontvangen, dan wel door het benificiair aanvaarden van de nalatenschap. In het eerst genoemde geval zou het bepaalde in artikel 4:87 BW van toepassing zijn geweest, maar niet het bepaalde in artikel 4:120 BW, omdat zij in dat geval geen erfgenamen zouden zijn geweest, maar schuldeisers van de nalatenschap. Thans kunnen gedaagden op grond van het bepaalde in artikel 4:190 lid 4 BW, de nalatenschap niet meer verwerpen of alsnog beneficiair aanvaarden.

Gedaagden worden ten slotte ook nog in de kosten van de erfbelasting van de legataris (het legaat was “vrij van recht”, hetgeen betekent dat de legataris zelf geen erfbelasting hoeft te betalen) en in de proceskosten veroordeeld.

Overigens is in deze situatie de vraag naar de rol van de notaris nog wel interessant. Is er een notaris betrokken geweest? In hoeverre zijn de erfgenamen goed geadviseerd over de verschillende mogelijkheden van aanvaarding? Had de notaris hen op het risico van het legaat moeten wijzen?

Onze advocaat erfrecht vindt het testament met legaten een grote valkuil voor de leek op het gebied van het erfrecht. De meeste mensen hbben geen idee dat een legaat een schuld van de nalatenschap is. Een schuld waar een erfgenaam door zuivere aanvaarding met zijn of haar privévermogen voor aansprakelijk wordt. Laat u daarom goed adviseren voor u een keus maakt en bij twijfel: NOOIT ZUIVER AANVAARDEN.

Lees hier de hele uitspraak.