Van onze advocaat legitieme. De Hoge Raad heeft enige tijd geleden een uitspraak gedaan over de mogelijkheid van het leggen van conservatoir beslag ter verzekering van de legitieme.

De Hoge Raad stelt buiten twijfel dat conservatoir beslag in beginsel kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is. Uitleg overgangsrecht met betrekking tot verval aanspraak op legitieme portie.

Erflater heeft zijn echtgenote, eiseres tot cassatie, benoemd tot erfgename. Op grond van de in het (onder het oude erfrecht opgemaakte) testament gekozen ouderlijke boedelverdeling komen alle goederen van de nalatenschap aan eiseres tot cassatie toe.

Legitimaire aanspraken zijn op grond van hetzelfde testament bij leven van eiseres tot cassatie niet-opeisbaar.

Centraal in deze zaak staat de vraag, of het door verweerders in cassatie, in verband met de door hen gestelde legitimaire aanspraken en ten laste van het vermogen van eiseres tot cassatie gelegde derdenbeslag, dient te worden opgeheven.

Eiseres tot cassatie heeft tegen dit oordeel in stelling gebracht dat het hof de in dezen toepasselijke maatstaf van artikel 705 Lid 2 Rv heeft miskend, althans dat zijn onderzoek naar het summierlijk blijken van de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd niet navolgbaar is.

In dit verband is (onder meer) gewezen op de niet-opeisbaarheid van de legitimaire aanspraken van één van verweerders in cassatie.

In cassatie is aan de orde gesteld, of voor een niet-opeisbare vordering wel conservatoir beslag kan worden gelegd. Die vraag was door de Hoge Raad nog niet expliciet beantwoord. Wel kan uit Hoge Raad, 3 mei 1996, NJ 1996/473 worden afgeleid dat conservatoir beslag voor een toekomstige vordering in beginsel toelaatbaar moet worden geacht.

In de onderhavige zaak stelt de Hoge Raad nu buiten twijfel dat “niet is uitgesloten dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is”.

In de feitelijke instanties had eiseres tot cassatie zich voorts op het standpunt gesteld dat één van de legitimarissen geen vordering meer heeft, omdat toepassing van artikel 128 Overgangswet ertoe leidt dat de legitieme portie van deze legitimaris moet worden geacht te zijn vervallen, nu hij deze niet voor 16 november 2006 (5 jaar na datum overlijden erflater) daadwerkelijk heeft opgeëist.

Het hof verwierp dit betoog met de redenering dat toepassing van deze overgangsrechtelijke bepaling er alleen kan toe leiden dat de bevoegdheid om de legitieme portie naar oud recht in te roepen vervalt, maar niet dat de vordering ter grootte van de legitieme portie vervalt.

De daartegen gerichte cassatieklachten acht de Hoge Raad ongegrond, al kiest het college daarbij voor een andere insteek dan het hof.

Daarbij stelt de Hoge Raad voorop (i) dat een legitimaire aanspraak onder het voor 1 januari 2003 geldende erfrecht – welke (anders dan onder het thans geldende erfrecht) bestond uit een aandeel in de nalatenschap – niet kon vervallen of verjaren, (ii) dat in het huidige erfrecht (wel) een vervalregeling is opgenomen in artikel 4:85 lid 1 BW, welke inhoudt dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn en uiterlijk 5 jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen, met het oog waarop (iii) artikel 128 Overgangswet een overgangsregeling bevat voor nalatenschappen die zijn opengevallen voor 1 januari 2003, welke bepaling inhoudt dat de legitimaris zijn bevoegdheden uitsluitend volgens het oude recht kan uitoefenen en dat, indien een erflater voor de inwerkingtreding van het huidige erfrecht maar na 1 januari 1999 is overleden, degene die volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als legitimaris kon uitoefenen , die bevoegdheden behoudt totdat sedert het overlijden van de erflater 5 jaren zijn verstreken.

De Hoge Raad neemt voorts in aanmerking dat de wetgever met de in artikel 128 lid 2 Overgangswet BW genoemde termijn aansluiting heeft gezocht bij de termijn van 5 jaren in de hiervoor genoemde vervalregeling van artikel 4:85 lid 1 BW.

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat een redelijke uitleg van artikel 128 Overgangswet BW meebrengt dat de legitimaris wiens aanspraak in deze zaak ter discussie stond zijn bevoegdheid kon uitoefenen door binnen de in artikel 4:85 lid 1 BW genoemde termijn van 5 jaren een verklaring af te leggen dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Niet vereist is dat de desbetreffende legitimaris zijn legitieme portie ook daadwerkelijk opeiste. Een en ander leidt ertoe dat van verval van de legitieme portie in dit geval geen sprake is, aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de desbetreffende legitimaris een beroep heeft gedaan op zijn legitieme portie binnen de 5-jaarstermijn van artikel 4:85 lid 1 BW.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme, over de opeisbaarheid van de legitieme, of de berekening daarvan, of over het overgangsrecht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.