Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Rotterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verkoop van een woning uit een nalatenschap aan derde vanwege de vordering tot opheffing van de onverdeeldheid van de nalatenschap.

A is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de erflater. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren

De erflater is op 25 april 2015 overleden.

Bij testament van 29 oktober 2014 is gedaagde benoemd als enig erfgenaam, executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van de erflater.

Tot de nalatenschap behoort de woning, voorheen de gemeenschappelijke woning van de erflater en de langstlevende echtgenoot A.

Op 31 augustus 2015 is V door de kantonrechter te Rotterdam benoemd tot beschermingsbewindvoerder in de zin van boek 1 titel 19 BW met betrekking tot de langstlevende echtgenoot A. Al enkele jaren is zij dementerend en verblijft zij in een verpleeghuis.

Opheffen van de onverdeeldheid van de nalatenschap. Vaststellingsovereenkomst. Verkoop woning uit nalatenschap aan derde? Dwangsom.

De rechter oordeelt als volgt.

Uitgangspunt is dat niemand tot een onverdeeldheid is gehouden.

Gewezen wordt op artikel 3:178 BW, op grond waarvan ieder der deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen.

Vaststaat dat gedaagde, in strijd met de afspraken in de vaststellingsovereenkomst, de financiering voor de koop van (de helft van) de woning na maanden nog niet rond heeft, waardoor de nalatenschap thans nog niet is afgewikkeld.

De onderhavige vordering strekt ertoe alsnog tot een verdeling te komen, althans die te bespoedigen.

Daarnaast heeft V onweersproken gesteld dat het grootste gedeelte van de uitkering van de langstlevende echtgenoot opgaat aan de kosten van het verpleegtehuis en dat zij nauwelijks financiële middelen overhoudt voor de overige (vaste) lasten.

Van V kan onder die omstandigheden niet worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht.

Dat gedaagde wellicht op korte termijn uitsluitsel kan geven over zijn financieringsmogelijkheden, doet niet af aan het spoedeisende karakter van de vorderingen van V.

Wel zal dat meespelen bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. Dat zal hierna aan de orde komen.

De vordering houdt in dat gedaagde de vaststellingsovereenkomst nakomt door binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis te bevestigen wie de notaris is waar hij de woning wil laten passeren en wat de datum van levering zal zijn, welke datum moet liggen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

Ter zitting heeft gedaagde medegedeeld dat de beoogde levering kan plaatsvinden bij notaris mr. P van het notariskantoor De Notarissen.

Verder betwist hij dat hij de koop van de helft van de woning zou frustreren. Hij wil de woning juist zo snel mogelijk in eigendom verwerven en de nalatenschap afwikkelen, maar dat blijkt allemaal minder gemakkelijk dan gedacht.

Reeds vanaf juli 2017 is hij bezig met het verkrijgen van een financiering. Eerst bij brief van 5 september 2017 heeft hij het taxatierapport van de makelaar ontvangen. Thans verwacht gedaagde dat hij de financiering op korte termijn rond zal krijgen. Voor de financieringsaanvraag bij de Rabobank dient hij nog de definitieve jaarcijfers over 2016 en 2017 te verstrekken.

Gedaagde heeft zijn boekhouder gevraagd om die stukken en de boekhouder zal de jaarcijfers over 2017 uiterlijk op 9 maart 2018 gereed hebben. De Rabobank heeft vervolgens naar schatting 4 weken nodig voor de beoordeling van de aanvraag. Uiterlijk op 6 april 2018 is er uitsluitsel over de financiering. Een datum van levering kan eventueel worden gezet op 1 mei 2018, mits de financiering op dat moment rond is, aldus de advocaat van gedaagde.

Nu gedaagde gedurende deze procedure een notaris heeft aangewezen om de akte van levering met betrekking tot de woning te passeren, heeft V geen belang meer bij dit gedeelte van vordering.

Ten aanzien van de datum van levering wordt het volgende overwogen.

Op grond van artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst had de woning, binnen twee maanden nadat het taxatierapport gereed was, geleverd moeten worden aan gedaagde, tegen betaling door gedaagde van de helft van de gemiddelde getaxeerde waarden (op 25 april 2015 en volgens de op dat moment nog op te stellen taxatierapport). Op 27 juli 2017 was het taxatierapport gereed. Daaruit kwam een taxatiewaarde van € 352.000,-. Met de taxatiewaarde van 25 april 2015 ad € 310.000,- komt het gemiddelde op € 331.000,-.

Dat betekent dat gedaagde uiterlijk op 27 september 2017 een financiering had moeten realiseren voor een bedrag van € 165.500,-. Ook als wordt uitgegaan van de stelling van gedaagde dat hij het taxatierapport pas op 5 september 2017 heeft ontvangen en hij daardoor de financiering uiterlijk op 5 november 2017 rond had moeten hebben, doet dat er niet aan af dat gedaagde tekortschiet in zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst door op dit moment nog steeds geen financiering te hebben bewerkstelligd.

Gedaagde heeft aangevoerd dat de financiering vertraging heeft opgelopen door extreme drukte binnen zijn onderneming, de afwikkeling van de nalatenschap, goede jaarcijfers, betalen van partijen die de financiering mogelijk moeten maken, het beslag op de bankrekeningen etc.

Zonder verdere toelichting daarop, laat staan enige onderbouwing daarvan, valt echter niet in te zien waarom de financiering, nadat gedaagde in ieder geval begin september 2017 afwist van het taxatierapport en dus het te behalen financieringsbedrag, na bijna zes maanden nog niet rond is.

Blijkens de door gedaagde overgelegde brief van de Rabobank, van 24 januari 2018 heeft gedaagde in juli 2017 telefonisch contact gehad met een medewerker van de Rabobank. Gedaagde wilde de afgeloste bedragen van zijn huidige leningen opnieuw opnemen en had daartoe een financieringsverzoek. Gedaagde is toen verwezen naar het Agrarisch team. Vervolgens staat in die brief vermeld dat gedaagde op 7 december 2017 langs is geweest op het Rabobank kantoor in L, waar hij (wederom) heeft verzocht om de bedragen die hij de afgelopen jaren had afgelost weer op te nemen. Toen is hem aangegeven dat dit niet kan, dat voor een aanvullende financiering een nieuw verzoek moet worden ingediend en dat voor de behandeling van het nieuwe verzoek de meest recente jaarcijfers benodigd zijn.

Uit deze brief kan worden opgemaakt dat gedaagde met de eerdere verwijzing van juli 2017 naar het Agrarisch team niets heeft gedaan en dat hij feitelijk tot december 2017 stil heeft gezeten.

Indien hij eerder het Agrarisch Team had benaderd, had hij kunnen weten dat de wijze van financiering die hij voor ogen had, niet mogelijk was.

Doordat hij pas in december 2017 bij de juiste afdeling een financieringsverzoek heeft ingediend, is thans de jaarrekening over 2017 benodigd voor de beoordeling van het verzoek door de bank en loopt het financieringsproces verdere vertraging op.

Dat is geheel te wijten aan gedaagde. Daarnaast is het onbegrijpelijk dat gedaagde behalve de Rabobank geen andere hypotheekverstrekkers heeft benaderd met zijn financieringsverzoek. Gelet op de vaststellingsovereenkomst had van gedaagde meer voortvarendheid en inspanning mogen worden verwacht.

Desalniettemin kan uit de stukken van gedaagde worden afgeleid dat hij thans concreet uitzicht heeft op een antwoord op zijn financieringsverzoek.

Duidelijk is dat gedaagde niet zal kunnen voldoen aan de vordering dat levering uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zal plaatsvinden, zodat een veroordeling daartoe niet zinvol wordt geacht.

Ervan uitgaande dat gedaagde, zoals door hem is gesteld, uiterlijk op 6 april 2018 uitsluitsel zal krijgen over zijn verzoek, acht de voorzieningenrechter het redelijk dat gedaagde uiterlijk op die datum aan V doorgeeft wat de datum van levering van de woning zal zijn, welke levering uiterlijk op 1 mei 2018 zal dienen plaats te vinden.

Gedaagde zal daartoe in de hierna vermelde zin worden veroordeeld.

De overige vorderingen zien op verkoop van de woning aan een derde, indien gedaagde niet zou voldoen aan voormelde veroordeling.

De vaststellingsovereenkomst ziet evenwel alleen op de verkoop van de helft van de woning door A aan gedaagde.

Over de verkoop van de woning aan een derde is niets overeengekomen. Toewijzing van deze vorderingen is enkel mogelijk als de vaststellingsovereenkomst wordt ontbonden.

In dat geval zou de verdeling van de gemeenschap weer komen te herleven en zou de voorzieningenrechter voorzieningen kunnen treffen ter zake van de wijze van verdeling in de zin van artikel 3:185 lid 1 BW.

Nu een ontbinding echter is uitgesloten in artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst, waardoor deze ook bij een tekortkoming van één van de partijen intact blijft, kan in het kader van deze procedure niet worden aangenomen dat voor gedaagde de verplichting bestaat om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde.

Deze vorderingen liggen bij gebreke van een grondslag voor afwijzing gereed.

Een uitzondering daarop is de laatste zinsnede van vordering, waarin V vordert de veroordeling van gedaagde te versterken met een passende dwangsom.

Gelet op het feit dat gedaagde, zoals eerder overwogen, onvoldoende inspanningen heeft verricht om de financiering voor elkaar te krijgen, is een dwangsom geïndiceerd.

Dat het opleggen van een dwangsom mogelijk is, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2016 (HR:2016:667).

Daarin is geoordeeld dat artikel 611a lid 1 tweede zin Rv – waarin is bepaald dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom – enkel is geschreven voor gevallen waarin voldoening aan de hoofdveroordeling door middel van rechtstreekse executie kan worden verkregen.

Slechts indien de verkoper van het goed betaling van de overeengekomen koopsom kan bewerkstelligen door rechtstreekse executie, dus zonder dat daartoe in enigerlei vorm de medewerking van de koper is vereist, is voor oplegging van een dwangsom geen plaats, aldus de Hoge Raad.

Nu in de onderhavige situatie de medewerking van gedaagde nodig is voor het verlijden van de leveringsakte, mist artikel 611a lid 1 tweede zin Rv toepassing.

Geoordeeld wordt dat gedaagde voldoende gelegenheid heeft gehad en bovendien thans ook nog heeft om alsnog de financiering rond te krijgen.

Daarbij geeft de voorzieningenrechter gedaagde mee dat het benaderen van meerdere hypotheekverstrekkers wellicht verstandig is.

Indien het gedaagde niet lukt om uiterlijk op 6 april 2018 de leveringsdatum van de woning aan V door te geven dan wel indien de leveringsdatum later plaatsvindt dan 1 mei 2018 (waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat V van haar kant op voortvarende wijze volledige medewerking verleent aan de levering van de woning aan gedaagde, zodra de financiering is gelukt), dient dat voor zijn rekening en risico te komen en verbeurt hij een dwangsom zoals bepaald.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur of bewindvoerder, over de verdeling van een erfenis door de rechter en over de gedwongen verkoop van onroerend goed uit de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.