Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de legitieme en de waardering van een woning en een stuk grond in de nalatenschap ter berekening van de legitieme.

Erflater en erflaatster hebben hun woning verkocht aan hun kleinzoon. De legitimarissen stellen dat de waarde van de woning hoger was dan de koopsom en dat hierdoor sprake is van een gift. Erflater en erflaatster hebben aangesloten bij de WOZ waarde.

Eiser en gedaagde zijn de kinderen van vader en moeder. Vader is op 10 augustus 2012 overleden. Moeder en de zes kinderen waren zijn erfgenamen.

Als gevolg van vaders testament van 13 juli 2005 is de nalatenschap van vader overeenkomstig de wet verdeeld, waarbij alle tot de nalatenschap behorende goederen door moeder zijn verkregen en ieder van de overige erfgenamen een geldvordering heeft verkregen ten laste van moeder ter grootte van de waarde van zijn of haar erfdeel.

Bij testament van 4 oktober 2013 heeft moeder gedaagde tot haar enige en algehele erfgenaam benoemd. Tevens heeft zij gedaagde als executeur benoemd

Bij brief van 18 maart 2014 hebben de legitimarissen moeder om inlichtingen gevraagd over schenkingen die door vader zijn gedaan en hebben zij aangegeven dat de kinderen aanspraak maken op hun legitieme portie, voor zover deze hoger is dan hun erfdeel.

Partijen zijn zowel verdeeld over de omvang van de nalatenschappen van vader en van moeder als over de omvang van de giften die bij de berekening van de legitieme porties moeten worden betrokken.

Informatieverplichting ter berekening van de legitieme

Wat betreft de informatieverplichting van de erfgenaam merkt de rechter vooraf het volgende op.

De erfgenaam zal als executeur in de nalatenschap van moeder inzage en afschrift moeten verschaffen van alle bescheiden die legitimaris c.s. voor de berekening van hun legitieme portie behoeven.

Ook zal zij hen desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen dienen te verstrekken (artikel 4:78 lid 1 BW).

Tevens dient de erfgenaam als executeur een boedelbeschrijving op te maken en op basis daarvan de schulden te voldoen en de vorderingen te innen.

Ook voor wat betreft de nalatenschap van vader zal zij inlichtingen moeten verstrekken aan de mede erfgenamen (artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang gelezen met de artikelen 4:148 en 4:78 BW).

Op basis van deze inlichtingen moet legitimaris c.s. in staat zijn om de legitieme porties te berekenen en te vorderen. Op haar rust ter zake in beginsel de stelplicht en voor zover nodig de bewijslast (artikel 150 Rv.).

Legitieme. Waardering van woning en grond. WOZ-waarde of marktwaarde? Gift?

De rechter oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat de erfgenaam bij de (ver)koop van de woonboerderij, in ieder geval voor wat betreft de kwijtschelding van een deel van de lening, is bevoordeeld en dat dit als een gift moet worden aangemerkt, die bij de berekening van de legitieme porties moet worden betrokken.

Blijkens de door erfgenaam als executeur opgestelde boedelbeschrijvingen gaat het hier om twee schenkingen van elk € 111.500,00.

De vraag is of ook voor wat betreft de koopprijs sprake is van bevoordeling van de erfgenaam , die als gift moet worden aangemerkt.

Volgens de erfgenaam is dat niet het geval omdat de woonboerderij voor een reële prijs, te weten de WOZ-waarde, is verkocht.

Volgens legitimaris c.s. is dat wel het geval omdat geen sprake was van een reële koopprijs.

De werkelijke waarde lag volgens de legitimaris c.s. hoger dan de WOZ-waarde, waarbij legitimaris c.s. zich beroept op een taxatie van een makelaar waarin de marktwaarde van de woonboerderij vrij van gebruik voor de peildatum 2010 is getaxeerd op € 500.000,00 en onder bezwaar van gebruik en bewoning op € 450.000,00 (50%) of € 400.000,00 (100%).

Bovendien is volgens legitimaris c.s. ten onrechte rekening gehouden met vruchtgebruik, terwijl de erfgenaam van meet af aan zelf over de woning kon beschikken.

De rechter overweegt dat als gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt (artikel 7:187, lid 2, BW).

Hiervoor is niet alleen vereist dat er sprake is van bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordeling.

De gever moet de bedoeling hebben om de ontvanger te verrijken. Deze bevoordelingsbedoeling moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld (vgl. HR 15 juni 1994, NJ 1995/577 en HR 12 juli 2002, PHR:2002:AD7272).

Naar het oordeel van de rechter zijn er onvoldoende aanwijzingen dat vader en moeder de bedoeling hadden de erfgenaam bij de verkoop van de boerderij nog meer te bevoordelen dan de genoemde kwijtschelding van een deel van de lening.

Weliswaar staat in de verklaring die vader en moeder bij de notaris hebben afgelegd dat zij de woonboerderij zo voordelig mogelijk willen overdragen aan de erfgenaam en dat zij slechts € 100.000,00 hoeven te ontvangen naast een levenslang woonrecht op de boerderij, maar bij het bepalen van de verkoopprijs hebben zij aansluiting gezocht bij de op dat moment geldende WOZ-waarden.

Op genoemde waarde hebben zij een bedrag in mindering gebracht voor het bij de levering tegelijkertijd gevestigde levenslange zakelijke recht van gebruik en bewoning door vader en moeder. Dit bedrag hebben zij – zoals niet in geschil is – bepaald overeenkomstig de rekentabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.

Aldus hebben zij naar het oordeel van de rechter objectieve maatstaven gehanteerd. Voor wat betreft de bepaling van de koopprijs blijkt hieruit geen bedoeling tot bevoordeling van de erfgenaam.

Het had op de weg van de legitimaris c.s. gelegen om aan te tonen dat de WOZ-waarde geen juiste waarde was en dat vader en moeder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn.

Dit laatste heeft legitimaris c.s. niet aangetoond. Dat de makelaar in 2015 de woonboerderij tegen de peildatum van 2010 hoger heeft getaxeerd, duidt er op dat vader en moeder wellicht bij vrije verkoop een hogere prijs hadden kunnen ontvangen, maar dat wil nog niet zeggen dat vader en moeder bij het bepalen van de koopprijs zich hiervan bewust waren en evenmin dat zij ook beoogden om de erfgenaam aldus te bevoordelen.

Dit kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de erfgenaam op enig moment, kennelijk met instemming van vader en moeder, in de woonboerderij is gaan wonen, ook niet als zou worden aangenomen, zoals legitimaris c.s. suggereert, dat het reeds bij verkoop en levering van de woonboerderij de bedoeling was dat de erfgenaam in de woonboerderij zou gaan wonen. Door het recht op gebruik en bewoning van vader en moeder mistte de erfgenaam tot het moment van overlijden van beiden het volle eigendom, hetgeen een relevante waarde verminderende factor is.

De legitimaris c.s. heeft overigens geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit deze bevoordelingsbedoeling kan worden afgeleid.

Legitimaris c.s. heeft aangevoerd dat de waardevermeerdering na verbouwing van de woonboerderij moet worden betrokken bij de vraag of sprake is van een gift.

De rechter kan dit niet volgen. Zij ziet niet in waarom de verbouwing die na levering van de woonboerderij aan de erfgenaam heeft plaatsgevonden, relevant kan zijn voor de vraag of er bij het bepalen van de koopprijs sprake was van een gift.

Legitimaris c.s. acht het ongeloofwaardig dat de erfgenaam deze verbouwing zelf heeft betaald, zoals door de erfgenaam is gesteld, maar heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat de verbouwing is betaald door vader en moeder en daarmee als een gift zou moeten worden aangemerkt.

Wat betreft de (her)bouwkosten van de woonboerderij die door vader en moeder zijn betaald, merkt de rechter op dat deze kosten in de WOZ-waarde van 2010 worden geacht te zijn verdisconteerd.

Ter comparitie van partijen is door de erfgenaam toegezegd dat zij de taxatie van de belastingdienst zou overleggen, ter onderbouwing van haar stelling dat ook de belastingdienst niet is uitgegaan van een schenking.

De erfgenaam heeft de taxatie van de belastingdienst niet overgelegd, maar gesteld niet over deze taxatie te beschikken. De rechter verbindt geen consequenties aan het niet overleggen van deze taxatie, nu legitimaris c.s. niet heeft betwist dat de taxatie door de belastingdienst niet heeft geleid tot een extra heffing van het schenkingsrecht. Daarom mag aangenomen worden dat ook de belastingdienst in de koopprijs geen reden heeft gevonden om van een schenking uit te gaan.

Of bij de (ver)koop van voornoemde percelen land in 2011 aan de erfgenaam sprake was van een gift, kan de rechter thans nog niet beantwoorden.

Anders dan bij de (ver)koop van de woonboerderij is niet duidelijk geworden hoe deze koopprijs tot stand is gekomen. Een aanwijzing dat er sprake was van een oogmerk van bevoordeling kan worden gevonden in de taxatie van de makelaar die de percelen heeft getaxeerd op een waarde van € 60.000,00 terwijl de koopprijs is bepaald op € 25.000,00.

Anderzijds moet worden aangenomen dat de makelaar van een enigszins te groot terrein is uitgegaan. Door de erfgenaam is immers genoegzaam aannemelijk gemaakt dat bij de verkoop van de woonboerderij van de woonboerderij al een deel van de grond was inbegrepen. Dit blijkt zowel uit de akte van levering van de woonboerderij als uit de akte van levering van de percelen land. Niet duidelijk is evenwel geworden hoe groot het gedeelte van het perceel was dat al bij de verkoop van de woonboerderij was inbegrepen.

De rechter zal een deskundige benoemen met de vraag of een koopprijs van € 25.000,00 in 2011 een reële koopprijs was en zo niet wat dan wel een reële koopprijs zou zijn geweest.

Bij gebreke aan andere objectieve gegevens waaruit de bedoeling van vader en moeder blijkt, zal de rechter bij een aanzienlijk verschil in waardering uitgaan van een bedoeling tot bevoordeling van de erfgenaam bij de verkoop van deze percelen grasland.

Voorafgaand aan de taxatie zal erfgenaam op grond van objectieve gegevens aannemelijk moeten maken wat de omvang was van deze percelen, bij gebreke waarvan de rechter zal uitgaan van het gehele oppervlakte van de genoemde percelen.

Voor zover aangenomen zou moeten worden dat hier sprake is van een gift, zal deze op grond van artikel 4:67, aanhef en onder e, BW bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking moeten worden genomen. De waardering van de gift vindt plaats naar het tijdstip van de prestatie (artikel 4:66, lid 1, BW).

Partijen verschillen van mening over de waarde van het andere stuk land, dat tot de nalatenschappen van vader en moeder behoort. Er zijn taxaties overgelegd van de makelaar en van een andere makelaar die van verschillende waardes uitgaan (€ 3.500,00 respectievelijk € 1.750,00), waarbij er onenigheid is over de omvang van het terrein.

De rechter zal de te benoemen deskundige tevens opdragen dit perceel te waarderen naar overlijdensdatum van vader en van moeder en daarbij de juiste omvang vast te stellen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over het verstrekken van informatie in het erfrecht of over de waardering van onroerend goed in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.