De Rechtbank Limburg heeft op 16 september 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de kantonrechter bevoegd was om een beslissing te nemen betreffende een vordering tot betaling van voorschot op de legitieme en een vordering tot het verstrekken van informatie ten behoeve van de berekening van de legitieme.

Eiseres vordert gedaagd te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan eiseres alle gegevens te vertrekken die nodig zijn om de legitimaire massa en daarmee de legitimaire portie te berekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft.

Tot die informatie behoort in ieder geval:

  1. de boedelbeschrijving,
  2. de aangifte erfbelasting,
  3. rekeningafschriften van alle rekeningen van erflaatster van de laatste vijf jaar voor haar overlijden,
  4. aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster over de laatste drie jaar voor haar overlijden,
  5. de onderliggende stukken die zijn gebruikt voor het opstellen van de documenten in het pdf bestand ‘financiële gegevens van erflaatster’,
  6. gegevens betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatsters tweede man, inclusief het testament dan wel de verklaring dat er geen testament was en de huwelijkse voorwaarden die tussen hen beiden golden ten tijde van zijn overlijden.

Legitieme. Vordering tot betaling van voorschot op de legitieme en vordering tot het verstrekken van informatie. Vordering van onbepaalde waarde. Bevoegdheid van de rechter. Verwijzing.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde voert aan dat de kantonrechter niet bevoegd is in deze zaak een beslissing te nemen.

Dit verweer slaagt.

De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

Eiseres vordering voor wat betreft het overleggen van informatie is gebaseerd op art. 4:78 lid 1 BW.

In die bepaling wordt de kantonrechter niet als bevoegde rechter aangewezen.

Het betoog van eiseres dat “algemeen wordt aangenomen” dat de kantonrechter toch bevoegd is omdat hij wel bevoegd is bij een verzoek op grond van art. 4:78 lid 2 BW, moet als onjuist worden verworpen.

Ander dan eiseres betoogt, wordt dat niet algemeen aangenomen.

De op grond van artikel 4:78 lid 1 BW ingestelde vordering is een vordering van onbepaalde waarde.

In beginsel is bij een dergelijke vordering de rechter van de kamer van andere zaken dan kantonzaken bevoegd.

Dat is slechts anders als duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00.

Die duidelijke aanwijzingen zijn door eiseres niet gesteld.

Haar verwachting dat de vordering niet boven € 25.000,00 zal uitkomen, is niet als een duidelijke aanwijzing te kwalificeren.

Het in onderdeel gevorderde bedrag is volgens eiseres een voorschot op de na ontvangst van de gevorderde stukken te vast te stellen legitieme portie.

Eiseres heeft verder expliciet gesteld dat zij weliswaar verwacht dat de legitieme portie niet hoger zal zijn dan € 25.000,00, maar dat zij zich in dit verband wel nadrukkelijk alle rechten voorbehoudt.

Hieruit volgt dat eiseres, voor het geval de legitieme portie meer dan € 25.000,00 bedraagt, geen afstand wenst te doen van het meerdere.

Op grond van deze constatering en omdat de vordering onlosmakelijk verband houdt met de vordering onder 1, is de kantonrechter van oordeel dat ook dat onderdeel van de vordering van eiseres ter verdere behandeling dient te worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken dient te worden behandeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.