De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 mei 2019 uitspraak gedaan over de vraag of bij de bedrijfsovername binnen de familie van erflater sprake was van een in aanmerking te nemen gift bij de vaststelling van de legitieme.

Vader is overleden en heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt.

Hierin heeft hij het vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap aan moeder gelegateerd en heeft hij partijen tot zijn enige erfgenamen benoemd.

Legitieme. Schenking? Bedrijfsovername. In aanmerking te nemen gift. Boedelbeschrijving.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter stelt het volgende voorop.

De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW; buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder l zijn ontstaan (artikel 4:65 BW).

Bij de berekening van de legitieme portie worden in aanmerking genomen de door erflater gedane giften aan (onder andere) afstammelingen, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is (artikel 4:67 aanhef en onder d BW).

De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme portie wordt berekend gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a BW genoemde, door de erflater achtergelaten personen (artikel 4:64 BW).

De waarde van giften, door de erflaatster aan de legitimaris gedaan, en hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering op zijn legitieme portie (artikel 4:70 en 4:71 BW).

Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak.

Partijen zijn de enige (drie) afstammelingen van moeder, dus het breukdeel is in dit geval een/zesde.

Eisers hebben, als gevolg van hun onterving, geen verkrijging krachtens erfrecht.

Verder is gesteld noch gebleken is dat aan hen giften zijn gedaan, die in mindering op hun legitieme porties zouden moeten worden gebracht.

De rechter zal voor wat betreft de waarde van de goederen van de nalatenschap aansluiting zoeken bij het overzicht van C. Partijen zijn het er immers (kennelijk) over eens dat het eerste gedeelte van dat overzicht volledig weergeeft welke bezittingen en schulden tot de nalatenschap behoren, en dat de daar vermelde bedragen – behalve de schulden uit geldlening – juist zijn.

Ook is niet in geschil dat deze laatstbedoelde schulden (3 × € 191.957 =) € 575.745,00 bedraagt. Uit het voorgaande volgt dat de waarde van de goederen van de nalatenschap op € 414.353,00 negatief kan worden gesteld.

Vervolgens rijst de vraag welke giften aan gedaagde, als afstammeling-legitimaris, in aanmerking moeten worden genomen.

Gedaagde erkent dat de kwijtschelding van de koopprijs van de woning, ten bedrage van € 100.000,00, een in aanmerking te nemen gift is.

Dat bedrag zal daarom in elk geval bij de berekening van de legitieme portie worden meegenomen.

In het overzicht van C zijn ook aan gedaagde gedane jaarlijkse schenkingen vermeld.

De rechter zal deze jaarlijkse giften evenwel buiten beschouwing laten. Eisers hebben zelf hun vorderingen daar namelijk niet op gebaseerd; ten overvloede wordt overwogen dat het hier bovendien gaat om giften die mogelijk op grond van artikel 4:69 lid 1 sub b BW buiten beschouwing dienen te blijven.

De kern van het geschil betreft de vraag of in de leveringsakte een schenking besloten ligt (namelijk de verlaging van de overnamesom met een bedrag van € 636.957,00), of dat deze op grond van de zogenaamde voortzettingsjurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. Hoge Raad, 13 februari 2004, HR:2004:AN8172) buiten beschouwing gelaten moet worden.

Blijkens deze jurisprudentie dient bij de beantwoording van de vraag of een gift betrokken moet worden bij de berekening van de legitieme portie, mede in aanmerking te worden genomen (a) dat de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staat aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt en (b) het steeds de bedoeling van de beide vennoten was geweest dat een van hen het bedrijf na de ontbinding van de vennootschap zou kunnen voortzetten tegen voldoening van een vergoeding waarbij exploitatie van het bedrijf nog juist lonend was.

Daarnaast moet de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten te worden meegewogen, aldus de Hoge Raad.

De rechter oordeelt hierover als volgt.

Eisers hebben zich uitdrukkelijk beroepen op de dwingende bewijskracht van de leveringsakte. De dwingende bewijskracht van een authentieke akte met betrekking tot daarin opgenomen partijverklaringen geldt echter alleen tussen de daarbij betrokken partijen c.q. hun latere rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel, zie artikel 157 lid 2 Rv.

Tussen gedaagde en eisers heeft de leveringsakte dus alleen vrije bewijskracht, aangezien zij niet allemaal betrokken partij c.q. rechtsopvolger van moeder zijn.

Wel acht de rechter op grond van de inhoud van de leveringsakte voorshands bewezen – behoudens door gedaagde te leveren tegenbewijs – dat aan de verlaging van de overnamesom een schenking ten grondslag ligt.

In de akte staat met zoveel woorden dat deze verlaging wordt gezien als een schenking.

Ook uit de verwijzing naar artikel 35b en 35c van de Successiewet (de fiscale bedrijfopvolgingsregeling) volgt dat het om een schenking moet gaan.

De aldaar gegeven definitie van bedrijfsopvolging maakt immers duidelijk dat de fiscale faciliteiten alleen toepassing vinden bij schenking (of bij vererving, maar dat is hier niet aan de orde).

Schenking is een (vorm van) gift, zie artikel 7:186 juncto artikel 7:175 BW.

Bij de beoordeling of in het onderhavige geval sprake is van een in aanmerking te nemen gift betrekt de rechter dat het gaat om een in familieverband uitgeoefend landbouwbedrijf, waarin aanvankelijk de ouders van partijen en later (na het overlijden van vader) moeder en gedaagde activiteiten hebben ontplooid.

Bij de bedrijfsoverdracht hebben moeder en gedaagde zich door een ter zake deskundige laten adviseren.

Er zijn kortom omstandigheden die erop wijzen dat zich hier een geval als bedoeld in de voortzettingsjurisprudentie voordoet, zoals gedaagde heeft betoogd.

Stukken die destijds in het kader van de prijsbepaling door A zijn opgemaakt (zoals bijvoorbeeld een ondernemingsplan of een bedrijfseconomische analyse) zijn echter niet in het geding gebracht.

Ook is er geen maatschapsakte is overgelegd, zodat de rechter niet op basis daarvan heeft kunnen nagaan of moeder en gedaagde voor ogen hebben gehad te zijner tijd een bedrijfsoverdracht aan gedaagde mogelijk te maken en aldus de continuïteit van het bedrijf te waarborgen.

Bij deze stand van zaken zal gedaagde in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs; daartoe is voldoende dat zij ontzenuwt dat aan de verlaging van de overnamesom een schenking ten grondslag ligt.

Het ligt overigens voor de hand dat gedaagde in het kader van haar bewijsvoering de ontbrekende stukken bij A opvraagt en, mits deze beschikbaar zijn en door haar kunnen worden verkregen, alsnog als productie overlegt.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing over dit geschilpunt aangehouden.

Op grond van artikel 4:78 BW hebben eisers als legitimarissen recht op inzage en afschrift van alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening van hun legitieme portie; ook dient gedaagde hen van de benodigde informatie te voorzien.

Deze wetsbepaling biedt echter niet zonder meer een wettelijke grondslag voor een vordering tot het opstellen van een (nieuwe) boedelbeschrijving.

Daar komt bij dat de samenstelling en omvang van de boedel aan de hand van het overzicht van C en de stellingen van partijen kunnen worden vastgesteld.

Gedaagde heeft verklaard dat er geen andere giften aan haar zijn gedaan, dan zoals uit dat overzicht blijkt.

Gesteld noch gebleken is dat gedaagde een onjuiste en/of onvolledige opgave zou hebben gedaan.

De wens van eisers om zelf te controleren of gedaagde mogelijk nog andere schenkingen heeft verkregen dan wel gelden aan het vermogen van moeder heeft onttrokken, is niet nader onderbouwd of geconcretiseerd.

Daarmee is er sprake van een “fishing expedition”.

De Vordering zal daarom te zijner tijd, bij eindvonnis, worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, over een schenking of gift in het erfrecht of over de verplichting tot het opmaken van een boedelbeschrijving, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.