Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de rentevergoeding over de legitieme in een nalatenschap, over de informatieverstrekking ten behoeve van de berekening van de legitieme en over het afleggen van rekening en verantwoording.
Partijen zijn het erover eens dat de door moeder in haar testament benoemde executeur zijn benoeming niet heeft aanvaard en dat gedaagde als enig erfgenaam de afwikkeling van de nalatenschap op zich heeft genomen.
In haar testament heeft moeder bepaald dat eiser een legaat toekomt van een bedrag in contanten gelijk aan de hoogte van zijn legitieme portie in de nalatenschap.
In artikel 4:65 BW is bepaald dat legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Nu de erfgenaam de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, kan eiser als schuldeiser van de nalatenschap zijn vorderingen tevens verhalen op het eigen vermogen van de erfgenaam welk vermogen zich heeft vermengd met de nalatenschap. Eiser kan de erfgenaam dus aanspreken tot nakoming van het testament van moeder.
Met het overlijden van moeder de vordering van eiser die hij uit hoofde van de nalatenschap van vader heeft opeisbaar geworden. Op 20 oktober 2015 heeft de erfgenaam ten laste van de nalatenschap van moeder € 70.000,- aan eiser uitbetaald. De resterende € 947,- is op 16 maart 2016 betaald. Daarmee is de volledige hoofdsom voldaan..
Tussen partijen is in geschil of over de vordering van eiser vanaf het overlijden van moeder wettelijke rente verschuldigd is.
Legitieme portie en rentevergoeding.
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 4:13 lid 4 BW bepaalt dat het bedrag van de geldvordering van ieder kind wordt vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes.
De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking een hiervan afwijkende renteregeling treffen of de vordering renteloos maken. Ook de echtgenoot en de kinderen kunnen tezamen een van de wettelijke regeling afwijkende afspraak maken, hetgeen hier is gebeurd.
In de akte afgifte legaat van 4 oktober 2011 staat immers dat de vorderingen van de kinderen op moeder niet rentedragend zijn. De vraag is of deze afspraak zo moet worden uitgelegd dat de vorderingen nooit rentedragend zullen zijn dan wel dat de vorderingen vanaf het moment waarop zij door het overlijden van moeder opeisbaar zijn, wel rentedragend zijn.
De objectieve maatstaf voor de uitleg van notariële leverings- en vestigingsakten geldt niet voor de uitleg van obligatoire partijafspraken. In dit geval gaat het om de uitleg van een in de akte afgifte legaat opgenomen contractuele renteclausule, die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen.
Die uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Deze norm houdt in dat bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst beslissend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen, maar dat de taalkundige betekenis die deze bewoordingen normaal gesproken hebben wel van belang is.
Partijen hebben omtrent de bedoeling van de rentebepaling niets gesteld. De rechtbank zal daarom uitgaan van de taalkundige betekenis van de bewoordingen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in de akte is opgenomen dat de vorderingen niet rentedragend zijn, omdat moeder het vruchtgebruik heeft van die vorderingen. Gelet op die bewoordingen brengt een redelijke uitleg van de bepaling mee dat vorderingen wel rentedragend zijn vanaf het moment waarop het vruchtgebruik eindigt en de vorderingen opeisbaar zijn.
Over de vorderingen van de kinderen is dus vanaf de datum van overlijden van moeder rente verschuldigd. Nu de afspraak uit de akte afgifte legaat waarin wordt afgeweken van artikel 4:13 lid 4 BW niet langer geldt, herleeft de wettelijke regeling.
Dit betekent dat de geldvordering van eiser vanaf 15 januari 2015 dient te worden vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes.
Aangezien de wettelijke rente (niet zijnde de wettelijke handelsrente) vanaf 1 januari 2015 tot op heden 2% bedraagt, geldt de vermeerdering ingevolge artikel 4:13 lid 4 BW hier niet.
Voor zover eiser in dit verband aanspraak maakt op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW geldt dat deze is pas verschuldigd is indien en zodra sprake is van verzuim aan de zijde van de erfgenaam.
Verzuim is niet gelijk te stellen aan opeisbaarheid van de vordering, maar van verzuim is sprake indien de schuldenaar bij schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming is gesteld, in gebreke is gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft.
Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke ingebrekestelling heeft plaats gevonden. Daar komt nog bij dat verzuim niet ontstaat indien de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, hetgeen hier het geval is. De erfgenaam kon pas tot uitbetaling van de vorderingen van zijn broers overgaan nadat hij de ouderlijke woning had verkocht en geleverd, hetgeen op 1 oktober 2015 heeft plaatsgevonden waarna hij binnen een maand nadien de aan zijn broers toekomende bedragen heeft uitgekeerd. Weliswaar heeft de erfgenaam een restant van € 947,- pas na dagvaarding, wat als een ingebrekestelling beschouwd kan worden, betaald, maar nu tevens vast staat dat hij ook nog een bedrag van € 1.094,96 aan rente heeft voldaan, moet het ervoor worden gehouden dat hij de over dat restant verschuldigde rente (ruimschoots) heeft voldaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Het verstrekken van informatie. Rekening en verantwoording?
Artikel 4:78 BW verplicht de erfgenamen tot het verstrekken van informatie nodig voor de berekening van zijn legitieme portie (zie onder meer GHARL:2011:BU9640) en niet tot het afleggen van rekening en verantwoording (GHDHA:2014:2987).
Op de erfgenaam rust dan ook niet de verplichting om inzage te geven in het verloop van het vermogen van moeder tijdens haar leven en ook niet na haar overlijden, aangezien met het door hem verleende beheer niet een rechtsverhouding is geschapen op grond waarvan de erfgenaam jegens eiser gehouden is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Die rechtsverhouding is ook nadien niet ontstaan, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de moeder bij leven geen bezwaren heeft gehad tegen de wijze waarop de erfgenaam van het beheer over haar financiën heeft gevoerd.
De erfgenaam is wel gehouden om opgave te doen van alle giften die door moeder zijn gedaan, maar die opgave heeft hij reeds gedaan en de door hem opgegeven gift van € 5.000,- is ook bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking genomen.
Tot slot is de erfgenaam op grond van artikel 4:78 lid 1 BW verplicht alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie te verschaffen. Die informatie is echter beperkt tot de elementen die voor de berekening van de legitieme portie van belang zijn en dat zijn de waarde van de goederen van de nalatenschap en de schulden en giften.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een nalatenschap, over de aanvaarding van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de legitieme of over de rentevergoeding van de legitieme of het kindsdeel, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.