Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Rotterdam heeft op 13 december 2017 uitspraak gedaan over zekerheidsstelling van de legitieme. Was onvoldoende zekerheid gesteld?

In het tussenvonnis is onder als volgt overwogen:

“Gelet op hetgeen in de tussenvonnissen is overwogen wordt de berekening van de legitimaire massa door eiseres na deskundigenrapport en na enquête tevens houdende wijziging van eis gevolgd met dien verstande dat de waarde van de schenking van de woning wordt vastgesteld op € 1.800.000 in plaats van € 1.940.000. Dit betekent dat de legitimaire massa wordt vastgesteld op € 1.845.181,20. De legitieme portie van eiseres bedraagt een/vierde hiervan, ofwel € 461.295,30.”

“3.13.2. In de omvang van de uit te keren legitieme portie en de door gedaagde gestelde en aannemelijk gemaakte omstandigheden omtrent zijn financiële situatie ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek tot een betalingsregeling te honoreren onder de na te noemen voorwaarde, in die zin dat gedaagde het aan eiseres toekomende bedrag zal dienen te uit te keren in vijf jaarlijkse termijnen te beginnen op 1 juli 2017 met de betaling van een bedrag van € 100.000 en vervolgens steeds een bedrag van € 100.000 op achtereenvolgens 1 juli 2018, 1 juli 2019, 1 juli 2020 en het restant van € 61.295,30 op 1 juli 2021. Gedaagde is tevens verschuldigd een enkelvoudige wettelijke rente over de (restant)hoofdsom met ingang 1 juli 2017 en te voldoen in jaarlijkse termijnen op de eerste juli van ieder jaar, te beginnen op 1 juli 2018.

De hiervoor bedoelde voorwaarde die aan de inwilliging van het verzoek van gedaagde is verbonden, betreft de voorwaarde dat door gedaagde uiterlijk op 31 mei 2017 een door de rechtbank goed te keuren zekerheid voor de voldoening van hoofdsom en rente is gesteld. De zaak zal naar de rol worden verwezen van om gedaagde in de gelegenheid te stellen bedoelde zekerheid te overleggen. Vervolgens zal eiseres in de gelegenheid worden gesteld om op de zekerheid te reageren.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt overwogen dat die vordering eerst bij de conclusie van antwoord na deskundigenbericht en na enquête tevens houdende wijziging van eis van eiseres van 11 mei 2016 is ingesteld, zodat de gevorderde wettelijke rente vanaf die datum zal worden toegewezen.”

Gedaagde heeft bij zijn akte van 31 mei 2017 te kennen gegeven dat hij zekerheid kan stellen in twee delen, te weten door dat een bekende van hem, de heer T, bereid is een bedrag van € 244.300 bij de bank op te nemen via een hypothecaire inschrijving op het huis alsmede door het vestigen van een zekerheidshypotheek van € 250.000 door gedaagde zelf op zijn huis.

De advocaat van eiseres heeft primair verzocht dat de rechtbank haar eindbeslissing inhoudende dat het verzoek van gedaagde om een betalingsregeling wordt gehonoreerd, zal heroverwegen.

Legitieme. Onvoldoende zekerheid gesteld? Betalingsregeling? Rentevergoeding

Ten aanzien van de door gedaagde aangeboden zekerheden heeft eiseres aangevoerd dat het voorstel van gedaagde haar geen enkele zekerheid biedt en het voorstel als onvoldoende dient te worden aangemerkt.

De door gedaagde genoemde persoon kan ieder moment zijn handen van de kwestie aftrekken, dan wel doen zich omstandigheden voor die de (vermeende) leencapaciteit van de bekende negatief beïnvloeden, zoals het kopen van een huis, verplichtingen met betrekking tot credit cards, kredieten, privé lease van een auto. Ook kan niet worden uitgesloten dat deze bekende zijn baan zou verliezen. Bovendien is slechts een print screen van de algemene leencalculator van de Rabobank overgelegd. Volgens eiseres heeft de door gedaagde genoemde persoon, rekening houdende met zijn salaris, overige schulden en lasten ad circa € 300 per maand en woonlasten die door haar zijn begroot op € 750, een leencapaciteit van maximaal € 28.000.

Met betrekking tot het recht van tweede hypotheek op zijn huis dat gedaagde heeft aangeboden, voert eiseres aan dat zij de restschuld van de hypothecaire geldlening weliswaar € 1.250.000 bedraagt, maar dat zij een inschrijving voor zich dient te dulden tot een bedrag van € 2.590.000.

De hiervoor omschreven door gedaagde aangeboden zekerheid/zekerheden worden door de rechtbank niet goedgekeurd. Deze zekerheid/zekerheden bieden onvoldoende garantie dat eiseres het aan haar toekomende bedrag ad € 461.295,30 bij niet of niet tijdige aflossing door gedaagde van de door hem verschuldigde termijnen, zal kunnen incasseren door genoemde zekerheden in te roepen.

Dit brengt met zich dat eiseres geen belang meer heeft bij haar verzoek tot heroverwegen van de gehonoreerde betalingsregeling.

De advocaat van eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat in het tussenvonnis de wettelijke rente niet correct is toegewezen. In het tussenvonnis is ter zake overwogen:

“Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt overwogen dat die vordering eerst bij de conclusie van antwoord na deskundigenbericht en na enquête tevens houdende wijziging van eis van eiseres van 11 mei 2016 is ingesteld, zodat de gevorderde wettelijke rente vanaf die datum zal worden toegewezen.”

De advocaat van eiseres stelt hiertoe dat gedaagde al veel eerder in verzuim is geraakt.

Rentevergoeding

De aanspraak op wettelijke rente – welke dient te worden onderscheiden van de verhoging ingevolge art. 4:84 BW – dient te worden bepaald aan de hand van art. 6:119 BW in verbinding met art. 6:81 e.v. BW. Vereist is dat de vordering opeisbaar is en de schuldenaar in verzuim verkeert.

Op grond van art. 4:81 lid 1 BW is de vordering opeisbaar vanaf 3 november 2009. Ten aanzien van het verzuim van gedaagde heeft eiseres gesteld dat zij op 29 september 2010 jegens gedaagde aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie.

Deze mededeling kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van art. 6:82 lid 1 BW, waarmee gedaagde in verzuim is komen te verkeren. Echter, de vordering van eiseres luidt: Gedaagde te veroordelen: 1. tot betaling van (…) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening; (…)”, zodat de gevorderde wettelijke rente vanaf de eerste datum in het petitum, te weten 10 oktober 2010, zal worden toegewezen.

Dit betekent dat de rechtbank zal terugkomen op de beslissing in het tussenvonnis van 19 april 2017 op het punt van de ingangsdatum van de verschuldigde wettelijke rente, op de hiervoor beschreven wijze.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening, verdeling of afwikkeling van een erfenis, over het kindsdeel, over de legitieme, over zekerheidstelling of over rentevergoeding, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.