Van onze advocaat legitieme. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 25 juli 2017 uitspraak gedaan over de berekening van de legitieme en de waardering van onroerend goed bij het vaststellen van de legitieme
Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.
In de nalatenschap zit een bedrijventerrein. Bij tussenvonnis van 10 december 2014 heeft de rechtbank in verband met de vaststelling van de legitieme portie een deskundigenbericht bevolen voor de vaststelling van de onderhandse verkoopwaarde van het bedrijventerrein vrij van huur en gebruik. De deskundige heeft de waarde bepaald op een bedrag van € 225.000,-. Omdat X kosten heeft gemaakt voor bodem- en asbestsanering tot een bedrag van € 23.350,- heeft de rechtbank bij de berekening van de legitieme van Z daarmee rekening gehouden, zodat de waarde is vastgesteld op een bedrag van € 201.650,-.
X c.s. stellen in grief 2 dat de gemeente, nadat aanvankelijk met bezwaren zijdens X rekening werd gehouden, inmiddels op 8 juli 2010 het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan heeft vastgesteld. In dit voorontwerp is de mogelijkheid om het terrein anders te gebruiken dan voor agrarische doeleinden geheel geschrapt, dit terwijl X het terrein feitelijk gebruikt voor de opslag en stalling van tweedehands auto’s en oude metalen en dit gebruik op basis van het op 21 december 1989 vastgestelde Besluit Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen ongestoord was. Het terrein is nu dus niet meer te verhandelen voor opslagdoeleinden. Het is zeer de vraag of de toekomstige, maar op het moment van overlijden van erflaatster al voorzienbare, waardevermindering van het terrein geheel met een planschadevergoeding zal kunnen worden gecompenseerd. De deskundige heeft deze omstandigheid bij de waardebepaling betrokken, maar in de ogen van X c.s. onvoldoende. Zij willen aansluiten bij een door Makelaar M verrichte waardebepaling die op een bedrag van € 107.500,- uitkomt, dan wel bij de WOZ-waarde van het terrein die is bepaald op € 143.000,-.
De advocaat van Z voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat de feiten en omstandigheden van ná 25 mei 2010 niet van belang zijn voor de waardebepaling in het kader van de legitieme portie en benadrukt dat de waardebepaling door de deskundige juist is.
Berekening legitieme. Waardering van onroerend goed
Het hof overweegt dat voor de berekening van de legitieme portie uitgangspunt is dat deze wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, in casu op 25 mei 2010.
Z voert terecht aan dat de feiten en omstandigheden van ná 25 mei 2010 daarom niet van belang zijn voor de berekening van de legitieme portie. De deskundige heeft in zijn rapport rekening gehouden met het feit dat het gebruik van het perceel door X in strijd is met de bestemming Agrarische doeleinden, maar dat dit gebruikt valt onder het Besluit Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen (1990), omdat het terrein op de peildatum van 25 mei 2010 bijna vijftig jaar als opslagterrein in gebruik was. Bovendien was onder de bestemming Agrarische doeleinden ook opslag van goederen ten dienste van agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Voor zover X c.s. betogen dat door het voorontwerp van 8 juli 2010 het gebruik alleen door hem mag worden voortgezet en het terrein niet meer verhandelbaar is, volgt het hof hem niet in dit betoog. Dat reeds op 25 mei 2010 de door X c.s. gestelde waardevermindering voorzienbaar was en dat deze waardevermindering niet door een planschadevergoeding zal worden gecompenseerd, hebben X c.s. door het overleggen in hoger beroep van productie AC niet, althans onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is dan ook op juiste gronden bij de beoordeling van de zaak uitgegaan van de door de deskundige getaxeerde waarde van het bedrijventerrein. Grief 2 in principaal appel faalt derhalve.
Zowel grief 3 in principaal appel als grief III in incidenteel appel gaan over de huurwaarde van het bedrijventerrein over de periode 1 januari 1994 c.q. 1 januari 1997 tot en met 25 mei 2010. X heeft over die gehele periode, dus vanaf 1 januari 1994 geen huur aan erflaatster betaald. De rechtbank heeft overwogen dat het gebruik om niet kwalificeert als gift die in de berekening van de legitieme portie meegenomen moet worden. De deskundige heeft de totale huurwaarde over de periode 1 januari 1994 tot 25 mei 2010 berekend op een bedrag van € 502.316,78, de rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 424.096,65, te weten de huur over de periode 1 januari 1997 tot 25 mei 2010.
Gift en legitieme. Vrijgevigheid en bevoordeling
X c.s. ontkennen primair dat sprake is van een gift. X was weliswaar een zoon van erflaatster, maar er is geen reden om deze kwestie anders te benaderen dan als een zakelijke verhouding tussen de eigenaresse van het bedrijventerrein als verhuurster en X als huurder. Verhuurster heeft nooit een huurvergoeding in rekening gebracht en dus geen facturen verzonden. Het achterwege laten van het zenden van facturen is geen handeling als bedoeld in artikel 7:186 lid 2 BW en valt niet onder het begrip gift, aldus X c.s. Erflaatster heeft niets aan X kwijtgescholden. Eerst als dat aan de orde zou zijn, zou er sprake zijn van een gift. Het is geen usance dat een huurder telkenmale vraagt een factuur toe te zenden. Mocht er wel sprake zijn van een gift dan merken X c.s. op dat X niet op de hoogte was van de inhoud van het testament van zijn moeder en de onterving van zijn zussen, terwijl evenmin sprake is van giften als bedoeld in de artikel 4:67 sub b, c, en d. Bovendien is de door de deskundige berekende huur van € 36.000,- op jaarbasis veel te hoog. Dit is het bedrag dat de makelaar berekende op 4 juni 2012 en van daaruit is de deskundige terug gaan rekenen, maar dat is onjuist. De gebruiksconditie van het terrein was in vroeger jaren aanzienlijk slechter. Het terrein was zelfs deels onverhuurbaar. Door eigen werkzaamheden heeft X het terrein verbeterd zodat er huurders konden komen. In de loop der tijd heeft hij alle houtopstallen verwijderd, het terrein geëgaliseerd en verhard en sloten uitgebaggerd. Voor al deze werkzaamheden heeft X nooit een factuur aan erflaatster gezonden. Omdat een huurovereenkomst tussen erflaatster en X ontbrak, is niet duidelijk voor wiens rekening die kosten kwamen. De deskundige heeft weliswaar bij de waardering van het terrein enige kosten verrekend die met facturen konden worden onderbouwd, maar de eigen arbeidsuren van X zijn niet in de waardering betrokken en dat had wel gemoeten. X c.s. stellen dat aantal op 1600 uur op jaarbasis. Alleen al met het sloten uitbaggeren is X dagen per jaar bezig. Dit alles had meegenomen moeten worden. De theoretisch berekende huurwaarde was in de praktijk niet te realiseren, aldus nog steeds X c.s.
De rechtbank heeft het navolgende overwogen:
“Met betrekking tot de huurwaarde van het perceel over de periode 1 januari 1994 tot 25 mei 2010 hebben X c.s. aangevoerd dat in verband met het overlijden van de vader van partijen in verband met diens nalatenschap al is afgerekend ter zake de huur van vóór 1997. Ter onderbouwing van hun stelling verwijzen X c.s. naar het vonnis van de (toenmalige) rechtbank Haarlem van 13 augustus 2002 in de procedure van B tegen onder anderen partijen in deze procedure. Dit betoog treft doel. Uit het bedoelde vonnis blijkt dat bij de vaststelling van het saldo van de nalatenschap van de vader van partijen ook de huurschuld van X is betrokken, naar de rechtbank begrijpt over de periode tot 1 januari 1997. In de berekening van de legitieme portie zal daarom worden betrokken de huurschuld over de periode 1 januari 1997 tot 25 mei 2010.”
Z voert in de derde grief in incidenteel appel aan dat de procedure bij de rechtbank Haarlem waarnaar de rechtbank in deze procedure verwijst, enkel zag op de legitieme portie van B ter zake van de nalatenschap van de vader van partijen. De procedure betrof niet mede de legitieme portie van X. Met het gebruik om niet van het perceel vanaf 1 januari 1994 tot 1 januari 1997 is ten aanzien van X dus nog geen rekening gehouden en dat moet in de onderhavige procedure wel, aldus Z. Daarmee dient volgens haar het gebruik om niet primair te worden becijferd op een bedrag van € 502.316,78. Verder geldt dat de rechtbank Haarlem over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1997 een vordering op X heeft aangenomen van Hfl. 50.000,-, maar gesteld noch gebleken is dat X deze schuld aan erflaatster heeft betaald. Subsidiair dient ter zake dan ook rekening gehouden te worden met een gift van € 446.785,- (€ 424.096,65 + € 22.689,01). Meer subsidiair stelt Z dat voor de berekening van de legitieme portie rekening dient te worden gehouden met gebruik om niet tot een bedrag van € 424.096,65- en een vordering op [X] van € 22.689,01.
Het hof overweegt als volgt. Erflaatster was eigenaresse van het bedrijventerrein dat door X werd gebruikt. Vaststaat dat erflaatster X daarvoor nimmer huur in rekening heeft gebracht, terwijl X het terrein wel beroepsmatig gebruikte en een deel zelfs verhuurde. Onder die omstandigheden is de stelling van X c.s. dat het niet zenden van facturen door erflaatster niet als gift kan worden beschouwd onjuist. Ook niet handelen levert een gift op. X is verrijkt doordat hij bedrijfsmatig een terrein in gebruik had waarvoor hij geen huur betaalde, terwijl erflaatster is verarmd doordat zij geen rendement over haar bezit ontving. Daarmee is de bevoordeling van X door erflaatster uit vrijgevigheid geschied en is sprake van een gift in de zin van artikel 7:186 BW.
Hetgeen X c.s. stellen omtrent het gestelde in artikel 4:67 a, b, c, d en e is ten deze niet van toepassing. Voor zover X c.s. stellen dat de deskundige de huurwaarde te hoog heeft berekend en dat de arbeidsuren van X meegewogen hadden moeten worden, verwerpt het hof ook dat betoog. X maakt niet inzichtelijk op welke waarde de deskundige met inachtneming van zijn stellingen wel had moeten uitkomen en daarmee heeft hij zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Grief 3 in principaal appel faalt dan ook.
Daarentegen slaagt de derde grief in het incidenteel appel van Z. De bij de rechtbank Haarlem in het vonnis van 13 augustus 2002 beslechte procedure betrof de legitieme portie van B in de nalatenschap van de vader van partijen. Slechts ten aanzien van haar is bij de berekening van haar legitieme portie in de nalatenschap van de vader van partijen rekening gehouden met een door X niet betaalde landhuur van Hfl. 50.000,- en is dit bedrag in die procedure als gift gekwalificeerd. Ten aanzien van Z is niet eerder rekening gehouden met het gebruik om niet door X en daarom dient daar in de onderhavige procedure wel rekening mee te worden gehouden. Nu X zijn bezwaar tegen de hoogte van de door de deskundige berekende jaarhuur onvoldoende heeft onderbouwd, zal het hof bij de berekening van de legitieme portie van Z rekening houden met een gift van € 502.316,78 berekend over de periode 1 januari 1994 tot 25 mei 2010.
Grief 4 in principaal appel grijpt terug op de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van partijen. X c.s. stellen dat de rechtbank ten onrechte hun verzoek om het erfdeel van de vader Hfl. 30.577,22 hoger te stellen en daarmee rekening te houden in de onderhavige procedure heeft gepasseerd. Op basis van het testament van de vader werd aan ieder kind in eerste instantie een uitkering gedaan van Hfl. 70.972,-. B heeft dit bedrag in rechte aangevochten, waarna de rechtbank Haarlem bij vonnis van 13 augustus 2002 de legitieme portie ten aanzien van haar hoger vaststelde. Door dit vonnis kreeg ieder kind aanspraak op nabetaling van voornoemd bedrag van Hfl. 30.577,22. Omdat deze nabetaling alleen aan B en aan Z is gedaan, hebben X, Y en A nog aanspraak op deze nabetaling. Het gaat dus om een bedrag van Hfl. 91.731,66 te vermeerderen met een rente van 6% per jaar vanaf 13 augustus 2002, aldus X c.s.
Het hof is van oordeel dat ook deze grief van X c.s. dient te falen omdat de stelling van X c.s. dat uit het vonnis van de rechtbank Haarlem van 13 augustus 2002 volgt dat zij nog aanspraak hebben op een bedrag van Hfl. 30.577,22 per persoon onjuist is. Dit vonnis heeft alleen betrekking op B en niet op X c.s. Gesteld noch gebleken is dat X c.s. destijds nadat de rechtbank Haarlem ten aanzien van B vonnis wees, tijdig een beroep op voornoemd bedrag hebben gedaan, zodat hun gepretendeerde vordering thans in ieder geval niet meer geldend kan worden gemaakt.
Wettelijke rente legitieme : opeisbaar of niet opeisbaar?
De rechtbank heeft de wettelijke rente over de legitieme portie van Z toegewezen vanaf 25 november 2010. In grief 5 merken X c.s. op dat de eerste brief van Z dateert van 25 juni 2011 en dat de wettelijke rente eerst vanaf die datum toewijsbaar is.
Z stelt dat X c.s. geen belang hebben bij deze grief omdat de rechtbank heeft bepaald dat X in zijn hoedanigheid van executeur aan Z een bedrag van € 67.205,52 dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag van 25 november 2010, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar waarbij telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen. Nu de wettelijke rente sinds 25 november 2010 tot en met heden geen 6% bedraagt, is er dus geen belang bij deze grief, aldus de advocaat van Z.
Daarnaast heeft Z ook een grief aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de wettelijke rente. Z stelt dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij artikel 4:84 BW omdat dit artikel ziet op rente over de niet-opeisbare legitieme portie. Dit artikel is van toepassing op de periode 25 mei 2010 tot 25 november 2010, de datum waarop Z aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie en waarop deze opeisbaar is geworden, inclusief de verzuimrente van artikel 6:119 BW.
Z erkent dat zij eerst op 25 juni 2011 aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie, althans bij brief van die datum heeft zij aan X gemeld dat zij recht had op haar kindsdeel. Gelet hierop slaagt grief 5 in principaal appel voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente. Met juistheid stelt de eerste grief in incidenteel appel aan de orde dat de rechtbank de toewijzing van de wettelijke rente niet op grond van artikel 4:84 BW had mogen toewijzen, nu dit artikel ziet op de niet-opeisbare legitieme portie, terwijl Z een opeisbare legitieme portie heeft en aanspraak heeft gemaakt op de verzuimrente van artikel 6:119 BW. De eerste grief in incidenteel appel slaagt daarmee voor wat betreft de hoogte van de wettelijke rente. Dat betekent dat het vonnis waarvan beroep op het punt van de wettelijke rente niet in stand kan blijven. Het hof zal de wettelijke rente over de vast te stellen legitieme portie toewijzen vanaf 25 juni 2011.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de waardering van de legitieme of over de rentevergoeding, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.