Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 19 december 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot verklaring voor recht dat op de afwikkeling en vererving van de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is.

Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat op de nalatenschap van erflater Nederlands recht van toepassing is.

Op grond van het testament van erflater is eiser onterfd, zodat hij, naar Nederlands recht, recht heeft op zijn legitieme portie in de nalatenschap.

Om de hoogte van zijn legitieme portie te kunnen vaststellen heeft hij, op grond van artikel 4:78 lid 1 BW, recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden die hij voor die berekening behoeft.

Gedaagde heeft echter tot op heden geweigerd deze bescheiden te overleggen dan wel eiser hierin inzage te verschaffen, omdat gedaagde ten onrechte meent dat de nalatenschap volgens Engels recht dient te worden afgewikkeld.

Doordat gedaagde tegen beter weten in de nalatenschap afwikkelt volgens Engels recht, lijdt eiser mogelijk schade, zo stelt hij. Het is immers, aldus eiser, niet ondenkbaar dat goederen uit de nalatenschap aan de erfgenamen worden verstrekt en deze vervolgens onvindbaar zullen zijn met als gevolg dat hij zijn legitieme portie niet kan ontvangen.

Gedaagde stelt zich daarentegen op het standpunt dat eiser geen recht heeft op inzage in of afgifte van de door hem verlangde stukken, omdat hij daarbij geen belang heeft. Gedaagde heeft daartoe aangevoerd dat eiser erfgenaam noch legitimaris is, omdat Engels recht op de nalatenschap van toepassing is.

Op grond van het Engels recht heeft een erfgenaam die onterfd is, geen recht op een legitieme portie. Bovendien, zo stelt gedaagde, is van onrechtmatig handelen geen sprake, omdat hij, totdat in een rechterlijke uitspraak anders is bepaald, het testament dient af te wikkelen naar Engels recht aangezien dit in het testament is bepaald.

Daar komt bij dat onduidelijk blijft welke handelingen van gedaagde als executeur onrechtmatig zouden zijn en evenmin is aangetoond dat er schade is geleden door eiser. Met betrekking tot zowel de vorderingen ter verkrijging van stukken als de vorderingen ter vaststelling en uitbetaling van de legitimaire massa/legitieme geldt dat deze vorderingen prematuur zijn ingesteld.

Legitieme. Internationaal erfrecht. Is Nederlands of Engels recht van toepassing op de afwikkeling van de nalatenschap?

De rechter oordeelt als volgt.

Onderhavig geschil spitst zich (aldus) toe op beantwoording van de vraag of het Nederlandse dan wel het Engelse recht van toepassing is op de nalatenschap. Tussen partijen is in dit verband niet in geschil dat de rechtskeuze van erflater voor Engels recht in het testament, ongeldig is.

Als gevolg daarvan dient de rechtbank aan de hand van de regels van de Erfrechtverordening het toepasselijke recht vast te stellen.

Hoofdregel is artikel 21 van de Erfrechtverordening. In dit artikel is bepaald dat het recht van toepassing is van het land waar de erflater zijn gewone verblijfplaats had.

Om de gewone verblijfplaats van de erflater vast te kunnen stellen moet worden gekeken naar alle aspecten die het leven van de erflater in de jaren voor zijn overlijden en op het moment van overlijden hebben gekenmerkt.

Hierbij kunnen aspecten als de duur en reden van het verblijf in een bepaalde staat, de bedoelingen rondom dit verblijf, het bezit van vermogen in die staat, het al dan niet beschikken over woonruimte, het hebben van een vriendenkring en het ingeschreven staan bij een huisarts van belang zijn.

Het gaat er in dit verband om de plaats te bepalen waar iemand het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. Als uitzondering heeft te gelden dat als blijkt dat de erflater een nauwere band had met een ander land, in dat geval, ondanks het feit dat hij zijn gewone verblijfplaats elders had, het recht van het land waarmee de erflater een nauwere band had als het toepasselijke recht worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter in dit geval beantwoording van de vraag waar erflater zijn gewone verblijfplaats had in het midden blijven. Daarvoor is het volgende van belang.

Indien de rechtbank zou oordelen dat erflater zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, dan is op grond van artikel 21 van de Erfrechtverordening Nederlands recht van toepassing op de nalatenschap.

Indien de rechtbank zou oordelen dat erflater zijn gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk (VK) had en uit dien hoofde Engels recht van toepassing is, heeft dit tot gevolg dat, op grond van artikel 34 Erfrechtverordening ook de Engelse regels van het internationaal privaatrecht van toepassing zijn.

Indien deze regels voorzien in terugverwijzing (renvooi) naar het recht van een lidstaat, dan wordt volgens artikel 34 van de Erfrechtverordening het recht van die lidstaat toegepast. Zoals hierna wordt uiteengezet, is dat naar het oordeel van de rechtbank het geval.

Aangaande de vraag naar het toepasselijke recht op grond van de regels van het Engelse internationaal privaatrecht heeft eiser een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) overgelegd.

Namens gedaagde is gesteld dat het rapport van het IJI niet objectief is, omdat onder het kopje feiten onder meer is vermeld: ‘Erflater heeft volgens u echter niet de bedoeling gehad om zich permanent in het VK te vestigen’ en ‘De reden voor het kortdurend verblijf in het VK was volgens u een fiscale; erflater was volgens u van plan om terug te keren naar Nederland.’

De rechtbank verwerpt dit verweer. Niet alleen volgt uit deze passages geenszins dat door de opsteller van het rapport feiten worden gepresenteerd die dat niet zijn. In genoemde passages wordt nu juist uitdrukkelijk vermeld dat dit mededelingen van de advocaat van eiser zijn, niet meer en niet minder. Bovendien worden in het rapport van het IJI geen conclusies getrokken aangaande de vraag welk recht van toepassing is. Het rapport legt slechts de regels van het Engelse internationaal privaatrecht uit, zonder daar in de concrete casus een conclusie aan te verbinden. Dat het IJI die regels onjuist heeft uitgelegd, is niet gesteld. Het verweer dat het rapport niet objectief zou zijn, is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het rapport dan ook tot uitgangspunt nemen.

Uit het rapport van het IJI leidt de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende af. Het Engelse internationaal privaatrecht maakt bij de vererving onderscheid tussen roerende zaken en onroerende zaken.

Voor onroerende zaken geldt dat het recht van toepassing is van het land waar het onroerend goed zich bevindt. Dit betekent dat voor de in Nederland liggende onroerende zaken op grond van het Engels internationaal privaatrecht het Nederlands recht van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat sprake is van een terugverwijzing als bedoeld in artikel 34 van de Erfrechtverordening en Nederlands recht op dit deel van de nalatenschap van toepassing is.

Voor roerende zaken geldt het volgende. Volgens Engels recht wordt iemands ‘domicile’, voor zover in deze zaak van belang, bepaald op grond van ‘domicile of origin’ dan wel op grond van ‘domicile of choice’.

Iemand heeft zijn domiclie of origin in het land waar diens vader woonplaats had ten tijde van de geboorte van de betrokkene. Dat is in het geval van erflater in Nederland. Voor het aannemen van een domicile of choice is vereist dat de betrokkene in een bepaald land een vaste verblijfplaats heeft en dat hij de wil heeft om daar altijd te verblijven.

Volgens het IJI werd in de Engelse erfrechtpraktijk tot voor kort aangeknoopt bij de domicile of origin om het toepasselijke recht vast te stellen. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden werd in het verleden in het erfrecht afgeweken van de domicile of origin als aanknopingspunt ten gunste van de domicile of choice.

Om uit te kunnen gaan van een domicile of choice moest onomstotelijk duidelijk worden dat de betrokken persoon de intentie had permanent in het buitenland te blijven wonen en dat deze niet meer naar zijn domicile of origin wilde terugkeren.

In recentere uitspraken van de House of Lords, zo schrijft het IJI, lijkt echter een kentering te komen in de dominante positie van de domicile of origin. Zo bepaalde de House of Lords ten aanzien van illegalen die voor onbepaalde tijd in het VK woonden en werkten dat zij een domicile of choice in het VK hadden.

De enkele duur van het verblijf is niet doorslaggevend. Wanneer het vermogen of de investeringen vooral in een bepaald land hebben plaatsgevonden, vormt dit veelal wel een indicatie dat de intentie gericht was op het hebben van een domicile in dat land. De beoordeling van iemands domicile is een uitvoerige afweging van een potentieel zeer groot aantal feiten en omstandigheden. Een wijziging van domicile of origin in een domicile of choice dient steeds te worden aangetoond. De Engelse rechtspraak is in het algemeen vrij terughoudend (geweest) in het aannemen van een wijziging van een domicile of origin in een domicile of choice.

Aldus ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de ‘domicile’ van erflater wordt bepaald door zijn domicile of origin of door een domicile of choice. In deze procedure is in dit verband komen vast te staan dat erflater naar het VK is verhuisd en daar een appartement huurde. Ook had erflater een nieuwe levenspartner in het VK. Erflater had voorts in het VK bankrekeningen en een abonnement voor de metro en musea. Erflater werd in het VK behandeld voor zijn ziekte en had aldaar een huisarts. Tenslotte had erflater een vriendenkring opgebouwd en investeerde hij in projecten in het VK.

Daar staat echter tegenover dat erflater het overgrote deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond, hij de Nederlandse nationaliteit heeft behouden en – volgens zijn wens – in Nederland is begraven.

Daarnaast staat vast dat erflater in ieder geval met een zekere regelmaat naar Nederland reisde en dat zijn familie in Nederland woonachtig was. De bezoeken van erflater aan Nederland hielden verband met zijn familie, maar ook met zijn zakelijke activiteiten. Erflater had in Nederland nog altijd meerdere bankrekeningen en diverse zakelijke belangen en bovendien was hij nog altijd (middellijk) eigenaar van diverse onroerende zaken en aandeelhouder in meerdere Nederlandse vennootschappen.

Gedaagde heeft aangevoerd dat erflater doende was zijn zakelijke belangen in Nederland af te handelen en dat hij op deze manier bezig was zijn leven volledig in het VK te leven en dat er geen enkele intentie bestond om terug naar Nederland te keren. Eiser heeft dit betwist en aangevoerd dat erflater naar het VK is gegaan om fiscale redenen en het zijn bedoeling was om na verloop van tijd weer terug te keren naar Nederland.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het rapport van het IJI volgt dat de Engelse rechtspraak terughoudend is met het aannemen van een domicile of choice.

Er moet onomstotelijk duidelijk worden dat de betrokken persoon de intentie had permanent in het buitenland te blijven wonen en dat deze niet meer naar zijn domicile of origin wilde terugkeren.

Hoewel in het rapport van het IJI tevens gewag wordt gemaakt van een (op handen zijnde) kentering in de rechtspraak, komt uit het rapport van het IJI naar voren dat de lat voor het aannemen van een domicile of choice nog altijd erg hoog ligt.

Bovendien dient een domicile of choice te worden aangetoond en wordt in de Engelse rechtspraak op dit punt terughoudendheid betracht. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat die lat zeker niet wordt gehaald. Onvoldoende is gebleken dat het de bedoeling van erflater was om zijn domicile of origin te verruilen voor een domicile of choice.

Uit de feiten kan zonder meer de conclusie worden getrokken dat erflater inmiddels in het VK woonachtig was en dat het grootste gedeelte van zijn leven zich inmiddels daar afspeelde. Dat is echter niet voldoende voor het aannemen van een domicile of choice. In ieder geval is niet onomstotelijk vast komen staan dat erflater de intentie had om permanent in het buitenland te wonen en niet naar Nederland terug te keren en zo zijn domicile of origin te verruilen voor een domicile of choice.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, naar het oordeel van de rechtbank, op de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is en deze volgens Nederlands recht afgewikkeld dient te worden.

Dit brengt met zich dat eiser recht heeft op een legitieme portie in de nalatenschap van erflater.

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen zal zij de vorderingen van eiser toewijzen. Dat wil zeggen dat de gevorderde verklaringen voor recht zullen worden gegeven.

De rechtbank heeft echter geen enkele inzage in de omvang van de nalatenschap en ontbeert iedere informatie over de personen die erfgenaam of legitimaris zijn. Reeds om die reden kan de rechtbank de legitimaire massa of de omvang van de legitieme portie thans niet vaststellen, laat staan dat zij gedaagde kan veroordelen tot betaling daarvan over te gaan.

Met het oordeel dat Nederlands recht op de nalatenschap van toepassing is, is gedaagde gehouden de nalatenschap dienovereenkomstig af te wikkelen. Dat betekent dat gedaagde eiser als legitimaris alle bescheiden dient te verschaffen waarop deze als legitimaris recht heeft.

Hoewel de rechtbank er vanuit gaat dat gedaagde zijn toezegging gestand zal doen om de nalatenschap conform Nederlands recht af te wikkelen indien de rechtbank oordeelt dat dit recht van toepassing is, zal de rechtbank een veroordeling van die strekking uitspreken.

Het is vervolgens in eerste instantie aan gedaagde om te bezien welke informatie beschikbaar is en welke informatie voor eiser van belang is voor het vaststellen van zijn legitieme portie. Gelet op de toezeggingen van gedaagde en gelet op het feit dat hij als notaris en dus als professionele partij optreedt als executeur, ziet de rechtbank geen aanleiding een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over het internationale erfrecht, over de EU Erfrechtverordening, over de afwikkeling van een internationale nalatenschap, of over het procederen over een internationale nalatenschap met aanknopingspunten met het Verenigd Koninkrijk, na of lopende de Brexit, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.