Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een beroep op de legitieme en de quasi-ouderlijke boedelverdeling. Overgangsrecht. Verjaring?
De quasi-ouderlijke boedelverdeling
In het tussenvonnis van 14 oktober 2015 is geoordeeld dat de vorderingen wat het inroepen van de nietigheid of vernietigbaarheid van de quasi-ouderlijke boedelverdeling in het testament wegens strijd met de wet betreft zijn verjaard.
De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Vanaf het moment van overlijden van erflater (7 februari 1992) kon de nietigheid of vernietigbaarheid van het testament worden ingeroepen. De dagvaarding dateert van 24 juli 2012 en dus van meer dan twintig jaar (artikel 3:306 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) na het overlijden van erflater.
Dat betekent dat de vorderingen zijn verjaard, tenzij die verjaring is gestuit. Dit is echter niet gesteld, noch gebleken.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit oordeel eveneens geldt voor de vordering tot het inroepen van de nietigheid van de bepalingen in het testament en de samenlevingsovereenkomst voor zover zulks goederen betreft die niet aan erflater hebben toebehoort, zodat ook die vordering is verjaard.
Legitieme en quasi-ouderlijke boedelverdeling. Overgangsrecht. Verjaring?
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 1167 (oud) BW luidde als volgt:
“De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tusschen hunne afkomelingen onderling of tusschen dezen en hun langstlevenden echtgenoot de verdeeling hunner goederen maken.”
Deze figuur werd een ouderlijke boedelverdeling genoemd. In het testament is een (door de notaris zo genoemde) “quasi ouderlijke boedelverdeling” opgenomen ten gunste van [gedaagde sub 2] waarin is bepaald:
“Ter voldoening aan de op mij rustend verplichting om ook na mijn overlijden mijn partner in staat te stellen in materieel en financieel zodanige omstandigheden te blijven leven als ware ik niet voor haar overleden, leg ik mijn afstammelingen de last op mee te werken aan een scheiding en deling van mijn nalatenschap aldus, dat – als betrof het een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling op de voet van artikel 1167 en verder van het derde Boek van het Burgerlijk Wetboek – aan mijn partner worden toegedeeld alle tot mijn nalatenschap behorende zaken, onder de verplichting alle schulden over te nemen, waartegen over ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een vordering op mijn partner ter grootte van het erfdeel van de betrokken erfgenaam”.
Deze “quasi ouderlijke boedelverdeling” is nietig.
Artikel 1167 (oud) BW bepaalde immers uitdrukkelijk dat de in dit artikel bedoelde verdeling alleen mogelijk is tussen afkomelingen (kinderen) onderling of tussen de afkomelingen (kinderen) en de langstlevende echtgenoot. In 1923 is de langstlevende echtgenoot aan het artikel toegevoegd. Uit niets blijkt dat de wetgever (in die tijd) met “echtgenoot” ook de niet-gehuwde partner heeft bedoeld (en ook op grond van latere ontwikkelingen tot 2002 is dat niet af te leiden).
Vervolgens moet worden beoordeeld wat het gevolg is van het oordeel dat sprake is van een nietige (quasi-)ouderlijke boedelverdeling.
Hiertoe dient eerst het toepasselijke overgangsrecht worden besproken.
Het betreft hier een nalatenschap die is opengevallen vóór 1 januari 2003, de datum van inwerkingtreding van het huidige erfrecht.
In beginsel geldt de hoofdregel van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow), namelijk onmiddellijke werking.
Reeds onder het oude recht verkregen rechten worden echter geëerbiedigd op de voet van artikel 69 Ow. De ouderlijke boedelverdeling van artikel 1167 (oud) BW is niet teruggekeerd in het huidige (erf)recht; een onder oud recht (geldig) gemaakte ouderlijke boedelverdeling behoudt echter, op de voet van de artikelen 79 en 127 Ow, in beginsel haar geldigheid. Voor de gelding onder het huidige recht van een onder het oude recht nietige ouderlijke boedelverdeling bevatten de erfrechtelijke overgangsrechtelijke regels van artikelen 125 e.v. Ow geen voorziening. Het uitgangspunt van de meer algemene regels van artikelen 79-81 Ow is, kort gezegd, dat de nietigheden en vernietigbaarheden door het nieuwe, huidige recht worden geregeerd.
Gelet op artikel 3:59 BW zijn de bepalingen van titel 2 boek 3 BW van overeenkomstige toepassing in deze zaak. Rechtens staat thans vast dat de door erflater gemaakte quasi-ouderlijke boedelverdeling nietig is, hetgeen betekent dat de quasi-ouderlijke boedelverdeling in het testament nimmer tot stand is gekomen.
Op grond van artikel 3:42 BW vindt evenwel conversie plaats, indien aangenomen mag worden dat erflater gekozen zou hebben voor een andere, wel geldige rechtshandeling en had afgezien van de nietige quasi-ouderlijke boedelverdeling.
In het testament is ook het volgende legaat opgenomen ten gunste van gedaagde:
“Ik legateer aan mijn partner alle tot mijn nalatenschap behorende roerende en onroerende goederen, of mijn aandeel daarin, onder de verplichting tot inbreng in of verrekening met mijn nalatenschap van de waarde daarvan, zoals die waarde zal worden vastgesteld in onderling overleg tussen mijn erfgena(a)m(en / erfgename(n) en de legataris of – bij gebreke van overeenstemming – overeenkomstig de wettelijke voorschriften voor boedelscheidingen waarbij minderjarigen betrokken zijn. De legataris behoeft zich eerst na het haar bekend worden van de waarde van de goederen te verklaren omtrent het al of niet of gedeeltelijk aanvaarden van dit legaat.”
Alleen al uit dit legaat volgt dat de strekking van de nietige quasi-ouderlijke boedelverdeling zodanig beantwoordt aan die van dit legaat, dat aangenomen mag worden dat erflater dit legaat zou hebben gehandhaafd. Uit niets blijkt dat het testament voor het overige niet overeenstemt met de wensen van erflater, en dat het testament zonder de quasi-ouderlijke boedelverdeling niet in stand kan blijven, dat deze nietigheid niet meebrengt dat het gehele testament nietig is (er is geen sprake van één ondeelbare rechtshandeling). Dit betekent dat het testament ook voor het overige in stand blijft.
In het tussenvonnis is verder geoordeeld dat de rechten van de legitimarissen naar oud recht niet meer kunnen worden uitgeoefend.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uitoefening van deze rechten in de nalatenschap van erflater wordt beperkt door artikel 128 lid 2 Ow in die zin dat die rechten slechts tot 1 januari 2014 konden worden uitgeoefend.
Van deze beslissing zal eveneens worden teruggekomen.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Met de invoering van boek 4 BW op 1 januari 2003 is een van het oude recht afwijkend artikel 4:85 BW in werking getreden.
Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheid een aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt na vijf jaren.
Een dergelijke regeling kende het oude recht niet. Onder het oude recht werd daarom aangesloten bij de verjaringstermijn van dertig jaar van artikel 1101 oud BW.
Artikel 128 Ow bepaalt de overgang van het oude recht naar het nieuwe en regelt de termijnen waarop legitimarissen van nalatenschappen die onder oud recht zijn opengevallen hun bevoegdheden na de inwerkingtreding van boek 4 BW kunnen uitoefenen.
De bepaling van artikel 128 Ow ziet enkel op de bevoegdheid aanspraak te maken op de legitieme portie.
Derhalve is het artikel alleen van toepassing op situaties waarin een nalatenschap onder het oude recht is opengevallen, maar bij de inwerkingtreding van boek 4 BW nog geen aanspraak op de legitieme portie is gemaakt.
Legitimaris heeft echter bij de dagvaarding van 18 maart 1997 – en dus voor de inwerkingtreding van boek 4 BW – reeds aanspraak op haar legitieme portie gemaakt.
Gelet hierop is artikel 128 Ow niet op haar van toepassing. De strekking van artikel 128 Ow houdt immers niet in dat een eenmaal onder het oude recht gemaakte aanspraak op de legitieme portie binnen een jaar na invoering van boek 4 BW zou moeten worden herhaald.
Het voorgaande brengt met zich dat de in rechtsoverweging van het tussenvonnis vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische grondslag en dient te worden heroverwogen om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag einduitspraak wordt gedaan.
Dit betekent dat wordt geoordeeld [naam 1] als legitimaris naar oud recht haar rechten kan uitoefenen en dat dit deel van gevorderde zal worden toegewezen. Dit geldt overigens niet voor de andere eiser, aangezien niet is gesteld noch gebleken dat zij een beroep heeft gedaan op haar legitieme portie.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de ouderlijke boedelverdeling of over de quasi-ouderlijke boedelverdeling, over nietigheid in het erfrecht of over de verjaring of het overgangsrecht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.