De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een bedrijfsoverdracht een materiële schenking was bij de vaststelling van de legitieme.

De advocaat van gedaagde stelt dat uit de volgende omstandigheden blijkt dat bij de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een materiële schenking door erflater aan eiser:

  1. erflater heeft in zijn testament duidelijk te kennen gegeven dat hij het bedrijf tegen een lage prijs aan [eiser] heeft overgedaan en spreekt in dit verband over “bevoordeling”;
  2. de grond is voor een veel lagere prijs dan de marktwaarde aan eiser overgedragen;
  3. eiser heeft erflater niets hoeven betalen voor het melkquotum;
  4. voor de waardering van de boerderij is uitgegaan van de waarde in bewoonde staat (te weten 60% van de getaxeerde waarde), terwijl het eiser zelf was die in de boerderij woonde.

De advocaat van gedaagde stelt dat de bevoordeling van eiser aanzienlijk is geweest en heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze procedure moet worden uitgegaan van een gift ter waarde van € 105.000.

Hij heeft daartoe verwezen naar het testament, waaruit blijkt dat erflater wilde dat zijn kinderen ongeveer gelijk behandeld zouden worden.

Wanneer de gift ter zake van de bedrijfsovername op € 105.000 wordt gesteld, bedraagt de legitieme van eiser nihil.

Daarmee wordt aan de wens van erflater tegemoet gekomen, aldus de advocaat van gedaagde.

De advocaat van eiser heeft betwist dat sprake is geweest van een gift.

Hij heeft aangevoerd dat erflater en hij hebben gehandeld als zakelijke partijen en dat voor hen beiden het meest optimale resultaat is bereikt.

Legitieme. Bedrijfsoverdracht. Materiële schenking?

De rechter oordeelt als volgt.

Als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt (artikel 7:186 lid 2 BW).

Of sprake is van een gift, moet worden beoordeeld naar het moment waarop die gift gedaan zou zijn (in dit geval dus het moment van de bedrijfsoverdracht)

Om te beoordelen of bij de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een gift, moet dus eerst worden vastgesteld of op dat moment sprake was van een verrijking van eiser en een verarming van erflater.

De rechter is van oordeel dat dit het geval is.

Voldoende is komen vast te staan dat de prijs die eiser aan erflater heeft betaald, lager was dan de waarde in het economisch verkeer.

Dit blijkt alleen al uit het feit dat eiser een jaar na de bedrijfsovername grond heeft verkocht en aangekocht voor een bedrag van (gemiddeld) ƒ 77.500 per hectare, terwijl hij die grond van erflater had overgenomen voor (gemiddeld) ƒ 22.500 per hectare.

Voor dit grote prijsverschil heeft eiser geen goede verklaring kunnen geven. Hij heeft weliswaar betoogd dat de grondprijs bij de bedrijfsovername werd gedrukt doordat er relatief veel water in zat, maar dat water is kennelijk bij de verkoop van de grond geen waarde verlagende factor geweest.

Bovendien heeft gedaagde verwezen naar de e-mail van rentmeester die van oordeel is dat de marktwaarde van de grond in april 1997 ƒ 55.000 per hectare moet zijn geweest. Eiser heeft die bevindingen niet voldoende gemotiveerd weersproken.

Daarbij komt dat uit de rapportage van de accountant uit 1997 blijkt dat de boekwaarde van het melkquotum ƒ 46.530 was terwijl gedaagde heeft aangevoerd dat de economische waarde van het melkquotum ruim € 500.000 was.

Kortom: de rechter is van oordeel dat eiser bij de bedrijfsoverdracht is verrijkt en dat erflater hierdoor is verarmd.

Dat partijen een prijs zijn overeengekomen waarbij het bedrijf nog rendabel kon worden geëxploiteerd, zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, maakt dat niet anders.

Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de belastingdienst de overdracht niet als een schenking heeft aangemerkt.

De enkele vraag die de rechtbank in dit verband moet beoordelen, is of erflater een hogere prijs had kunnen genereren als hij het bedrijf niet aan eiser zou hebben overgedragen. Het antwoord op die vraag is ja.

Vervolgens moet worden beoordeeld of erflater bij de bedrijfsoverdracht de bedoeling heeft gehad eiser te bevoordelen.

Ook die vraag beantwoordt de rechter bevestigend.

Gedaagde heeft in dit verband aangevoerd dat erflater onmiddellijk na de bedrijfsoverdracht met zijn kinderen heeft besproken dat hij wilde dat de verkoopopbrengst van zijn woning na zijn overlijden alleen ten goede zou komen aan zijn dochters, maar dat dit na verloop van tijd op verzet stuitte van eiser.

Voor zover eiser deze stelling heeft willen betwisten geldt dat de stelling van gedaagde wordt onderschreven door de tekst van het testament.

Daarin heeft erflater immers laten opnemen dat hij dit testament heeft laten opmaken “mede in verband met het feit dat discussie dreigt te ontstaan of is ontstaan over de waarde van de aan hem toebehorende woning”.

De rechter gaat er dus vanuit dat erflater zich in 1997 bewust is geweest van de bevoordeling van eiser.

In het licht van het vorenstaande stelt de rechter vast dat ten tijde van de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een materiële schenking aan eiser.

Gelet op hetgeen de rechter overwoog, stelt zij bovendien vast dat de materiële schenking destijds het door gedaagde genoemde bedrag van € 105.000 moet hebben overstegen.

De precieze omvang van de materiële schenking kan daarom in het midden blijven en de rechtbank zal uitgaan van het bedrag van € 105.000.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de vaststelling en de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.