Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 februari 2021 uitspraak gedaan over inkorting bij de legitieme vanwege een tekort van de nalatenschap om de legitieme te kunnen uitbetalen.
Op 24 mei 2010 is erflater overleden, de vader van appellant en zijn broer en zijn zus.
De partner van erflater, met wie erflater zo’n twintig jaar heeft samengewoond tot aan zijn overlijden, was mevrouw A, de moeder van geïntimeerde.
In het testament van erflater van 21 mei 2010 heeft hij met een tweetrapsmaking zijn partner tot enig erfgenaam (‘bezwaarde erfgenaam’) en executeur benoemd en voorts zijn kinderen, de broer en de zus als verwachters.
Zijn partner heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, evenals haar benoeming als executeur.
Appellant heeft (tijdig) een beroep gedaan op de legitieme portie (die krachtens het testament pas opeisbaar wordt door onder meer het overlijden van de partner).
Appellant heeft met de dagvaarding van 15 juli 2016 deze procedure gestart voor de rechtbank en gevorderd dat de rechtbank de omvang van de legitieme portie van de nalatenschap van erflater vaststelt en geïntimeerde veroordeelt tot betaling daarvan
Omdat appellant een beroep heeft gedaan op zijn legitieme, heeft hij als legitimaris een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen (dat zijn hier de broer en de zus).
De schuld ter zake van de legitieme portie van de legitimaris is geen schuld van erflater in de zin van artikel 4:182 lid 2 BW (zie ook artikel 7 lid 1 onder a BW), maar wel een schuld van de nalatenschap (artikel 4:7 lid 1 sub g BW).
De erfgenamen zijn hiervoor naar evenredigheid van hun erfdeel gebonden (artikel 6:6 BW).
Als het bedrag van de vordering van de legitimaris de waarde van de nalatenschap te boven gaat dan worden de vorderingen op de erfgenamen naar evenredigheid verminderd (artikel 4:80 lid 2 BW).
Art. 4:79 BW luidt:
Ter zake van zijn legitieme portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen:
a. op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel
b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in artikel 89.
Eerst dient de legitimaris zijn vordering op de onderdeel a vermelde personen te verhalen, en, wanneer zijn vordering dan nog niet geheel voldaan is, vervolgens op de onderdeel b vermelde begiftigden.
Met het overlijden van erflater op 24 mei 2010 is eerst de partner (onder ontbindende voorwaarde) erfgenaam van zijn nalatenschap geworden en heeft de legitimaris op voet van artikel 4:80 lid 1 BW jegens haar aanspraak op betaling; op grond van het testament was de legitieme nog niet opeisbaar.
Met het overlijden van de partner op 25 juli 2015 zijn de kinderen van erflater erfgenaam geworden (de vervulling van de opschortende voorwaarde) en daarmee is de tweetrapsmaking ‘voltooid’.
Appellant heeft daardoor vanaf het overlijden van de partner als legitimaris op voet van artikel 4:80 lid 1 BW jegens de bezwaarde erfgenamen aanspraak op betaling van zijn legitieme portie Met het overlijden van de partner is ook háár nalatenschap opengevallen, die echter lós staat van de nalatenschap van erflater.
Haar erfgenamen, onder wie geïntimeerde, hebben die nalatenschap beneficiair aanvaard.
Over de afwikkeling van de nalatenschap van de partner van erflater is verder niets bekend in deze procedure.
De nalatenschap van erflater is door de broer en de zus beneficiair aanvaard.
Als vereffenaar is een notaris benoemd.
Uit de uitdelingslijst van 21 juli 2017 blijkt dat na voldoening van alle schulden en kosten nog een te verdelen saldo over was van € 9.812,17.
Dit saldo is verdeeld over de drie kinderen van erflater, onder wie ook appellant, die elk een bedrag van € 3.223,59 hebben gekregen.
Appellant stelt dat hij zijn gehele vordering van de legitieme kan verhalen op geïntimeerde in haar privévermogen en op haar als vereffenaar van de nalatenschap van haar moeder, de partner van erflater.
De partner heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard en zij is door deze zuivere aanvaarding (als erfgenaam) met haar privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap, waaronder de vordering van appellant op uitkering/betaling van de (gehele) legitieme, aldus appellant.
Appellant wenst voorts behoud van zijn verhaal op het vermogen van de (eigen) nalatenschap van de partner van erflater.
Hij wil net als andere schuldeisers van de partner in de wettelijke vereffening van haar nalatenschap worden betrokken op de voet van artikel 4:223 BW.
Omdat geïntimeerde haar plichten als vereffenaar heeft verzuimd is zij persoonlijk aansprakelijk op de voet van artikel 4:184 (lid 2 sub d, zo begrijpt het hof) BW, aldus nog steeds appellant.
Appellant beroept zich voor zijn aanspraak op de legitieme op artikel 4:79 BW waarin onder meer is bepaald (sub a) dat de legitimaris een vordering verkrijgt op de gezamenlijke erfgenamen dan wel (sub b) op een begiftigde door inkorting als bedoeld in artikel 4:89 BW.
In het verlengde hiervan stelt appellant dat hij op grond van artikel 4:80 lid 1 BW zijn vordering kan indienen bij de gezamenlijke erfgenamen, onder wie de partner van erflater die door de tweetrapsmaking enig erfgenaam was.
Gezien de bepaling in het testament onder B.2 sub k. kan de schuldvordering van appellant als ‘bestaande schuld’ worden gedefinieerd, wordt deze schuld tot het eigen vermogen van de partner van erflater gerekend en moet daaruit worden voldaan, aldus nog steeds appellant.
Erfrecht. Tweetrapsmaking in testament. Legitieme. Tekort. Inkorting. Vermindering. Zuivere aanvaarding. Volgorde van inkorting. Verhaal. Vereffening. Schulden van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
De schuld ter zake van de legitieme portie van de legitimaris, is een schuld van de erfgenamen van de erflater.
Hier is sprake van een tweetrapsmaking waarbij eerst de partner erfgenaam is geworden onder ontbindende voorwaarde(n).
Met vervulling van die ontbindende voorwaarde (hier: het overlijden van de partner) zijn de kinderen (de broer en de zus) als verwachters erfgenaam van erflater geworden.
De partner van erflater was met haar overlijden geen erfgenaam meer.
De schuld ter zake van de legitieme portie is geen schuld van de bezwaarde die door haar overlijden is overgegaan op haar eigen erfgenamen, zodat geïntimeerde als erfgenaam van de partner van erflater (de bezwaarde) in die hoedanigheid niet aansprakelijk is voor voldoening van de restantschuld van de legitieme.
Met inachtneming van de artikelen 4:79 en 4:80 lid 2 BW heeft appellant zijn vordering uit de legitieme op de erfgenamen (de broer en de zus) (die hiervoor als erfgenamen van erflater aansprakelijk waren) overigens betaald gekregen door evenredige vermindering van hetgeen nog resteerde uit de nalatenschap van erflater.
Appellant meent dat hij het restant van de legitieme kan verhalen op geïntimeerde in haar hoedanigheid van erfgenaam van de partner van erflater en dat geïntimeerde gehouden is zijn vordering uit haar eigen vermogen te voldoen.
Hij wijst hierbij op de bepaling in het testament onder B.2. sub k.
Dit betoog gaat niet op.
In de bepalingen onder B.2 van het testament zijn de rechten en verplichtingen van bezwaarde en verwachters nader ingevuld/geregeld.
Alleen daarom al valt, zonder nadere toelichting of onderbouwing die ontbreekt, niet in te zien op welke grondslag appellant als derde in die rechtsverhouding hieraan rechten kan ontlenen.
Kennelijk verstaat appellant onder “schulden” als genoemd in die bepaling (ook) de schulden van de nalatenschap, waaronder de aanspraak op de legitieme en deze schuld van de partner van erflater is overgegaan op geïntimeerde als erfgenaam, zo verstaat het hof zijn stelling.
Als het hof deze bepaling al moet uitleggen op de voet van artikel 4:46 lid 1 BW (daarover hebben partijen overigens geen debat gevoerd) dan kan redelijkerwijs uit de bewoordingen van sub k niet anders volgen dan dat het gaat om schulden van de bezwaarde die zij had op het moment van de vervulling van de voorwaarde en het einde van het bezwaar: die (eigen) schulden moest zij eerst voldoen uit haar eigen vermogen en als dat niet toereikend was dan kon/mocht de bezwaarde die schulden voldoen uit het bezwaarde vermogen (interen op de nalatenschap).
Tot die schulden behoort niet de schuld ter zake van de legitieme portie die bij het einde van het bezwaar immers ‘overgaat’ op de bezwaarden.
Dat betekent dat appellant zijn vordering uit de legitieme niet geldend kan maken tegenover geïntimeerde, ongeacht of appellant geïntimeerde aanspreekt als erfgename van de partner van erflater of als vereffenaar van de nalatenschap van de partner van erflater, haar moeder.
De overige stellingen van appellant die zien op het verzuim dan wel (niet) nakomen van de verplichtingen van geïntimeerde als vereffenaar behoeven dan ook geen bespreking meer.
Het beroep van appellant op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW gaat niet op.
De rechter dient hiervan met terughoudendheid gebruik te maken en daarnaast geldt dat degene die zich hierop beroept voldoende dragende feiten en omstandigheden moet stellen om dit beroep te kunnen laten slagen.
Dat heeft appellant niet gedaan.
Hij stelt daartoe enkel dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hem een rechtstreekse aanspraak en verhaalsmogelijkheid op de nalatenschap van de partner van erflater wordt ontnomen en dat hij daardoor onevenredig in zijn belangen als legitimaris wordt geschaad.
Dat is onvoldoende om de hiervoor genoemde wettelijke regels opzij te zetten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, over het berekenen van de legitieme of over de inkorting van legaten, makingen of giften bij een tekort van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.