Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag vanaf welk moment wettelijke rente verschuldigd was over de legitieme portie.

In de grief voert Broer A aan dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering, om Broer B te veroordelen om over zijn vordering de wettelijke rente te voldoen met ingang van 30 november 2012, heeft afgewezen.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat Broer B niet in verzuim is geraakt met de betaling van de legitieme portie.

Ook is ten onrechte overwogen dat, voor zover de dagvaarding al als een ingebrekestelling kan worden aangemerkt, daarin geen duidelijke termijn voor de nakoming is opgenomen.

Erfrecht. Legitieme. Rente. Ingangsdatum wettelijke rente over legitieme portie.

De rechter overweegt als volgt.

Ingangsdatum wettelijke rente over de legitieme portie

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:81 lid 1 BW is de vordering ter zake van de legitieme portie niet opeisbaar voordat zes maanden na het overlijden van de erflater zijn verstreken.

Dit betekent in dit geval dat de vordering van Broer A opeisbaar is geworden met ingang van 30 november 2012.

Het hof stelt verder voorop dat het verzuim echter eerst intreedt door een ingebrekestelling, tenzij sprake is van blijvende onmogelijkheid of een niet toerekenbare tekortkoming, wanneer zich een situatie als vermeld in artikel 6:83 BW voordoet, dan wel de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat de schuldenaar zich op het uitblijven van een ingebrekestelling beroept.

Broer A heeft aangevoerd dat Broer B bleef volhouden dat Broer A nergens recht op had.

Broer B heeft dit niet betwist en heeft zelf ook gesteld dat zijn berekening op nihil uitkwam voor wat betreft de legitieme portie.

Het hof is dan ook van oordeel dat Broer A uit de proceshouding van Broer B heeft kunnen afleiden dat Broer B de legitieme portie niet zou gaan uitkeren.

Het hof passeert het betoog van Broer B dat sprake zou zijn van schuldeisersverzuim.

Dit treedt niet in enkel doordat partijen het niet eens werden over de berekening van wat Broer A toekomt.

Het feit dat de omvang van de legitimaire vordering nog niet vast staat, staat er dus niet aan in de weg dat de wettelijke rente verschuldigd wordt.

Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld (art. 6:82 lid 2 BW).

Een dagvaarding kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling indien deze voldoet aan de daaraan in de omstandigheden van het geval op het punt van ingebrekestelling te stellen eisen.

In de dagvaarding maakt Broer A aanspraak op de wettelijke rente over het bedrag van de hem toekomende legitieme portie.

Deze voldoet dan ook aan de vereisten gesteld in artikel 6:82 lid 2 BW.

De wettelijke rente zal daarom met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding, 23 januari 2013, worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.