Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 29 juni 2021 uitspraak gedaan over de vraag of bij de vaststelling van de legitieme giften bovenmatig en niet gebruikelijk waren.
In dit hoger beroep gaat het in de kern om het volgende.
Appellante en geïntimeerde zijn zussen en de enige nabestaanden van hun op 12 april 2015 overleden vader (hierna: erflater).
Erflater heeft in zijn testament appellante onterfd en geïntimeerde tot enig erfgenaam benoemd.
Appellante en geïntimeerde verschillen van mening over de hoogte van de legitieme portie, meer in het bijzonder of het door erflater aan appellante verstrekte bedrag van € 61.870,55 bij de berekening daarvan in aanmerking moet worden genomen.
Erfrecht. Legitieme. Omvang en berekening van de legitieme. Giften. Morele verplichting. Levensonderhoud. Bovenmatige, niet gebruikelijke giften. Informatieverstrekking. Bewijslast.
De rechter oordeelt als volgt.
Giften als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub a.
Appellante stelt zich primair op het standpunt dat de betalingen als giften in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub a BW moeten worden aangemerkt.
Dit artikel luidt als volgt:
“1. Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd: giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming zijn met het inkomen en het vermogen van de erflater.”
Dit is een zelfstandig verweer.
Appellante beroept zich immers op het rechtsgevolg van deze kwalificatie, namelijk dat de betalingen op grond dit artikel bij de berekening van de legitieme portie niet als gift maar als bijdragen in haar levensonderhoud moeten worden beschouwd en daarom niet op grond van artikel 4:67 BW bij de berekening van de legitieme portie moeten worden meegenomen.
De stelplicht en zo nodig bewijslast rust op appellante.
Bij de beantwoording van de vraag of de giften kunnen worden aangemerkt als bijdragen in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub a BW, zijn allereerst de onderhoudsbehoefte van de begiftigde en de financiële capaciteit van de schenker van belang.
Verder moet de relatie van de schenker en de begiftigde in aanmerking worden genomen ter beantwoording van de vraag of er een morele verplichting tot onderhoud door de erflater bestaat en zo ja, in welke mate van intensiteit (vgl. Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 437).
Wat dit laatste punt betreft, heeft appellante enkel gesteld dat erflater jegens haar de morele verplichting voelde om haar financieel te helpen gelet op haar persoonlijke omstandigheden, maar zij heeft nagelaten toe te lichten waarop dat is gebaseerd.
Aldus heeft zij haar stelling op dit punt onvoldoende concreet onderbouwd.
Daarom wordt haar stelling dat het om bijdragen in haar levensonderhoud ging, gepasseerd.
Om dezelfde reden gaat het hof ook voorbij aan haar stelling dat het wat betreft het bedrag van € 3.274,55 gaat om bijdragen in haar levensonderhoud.
Giften als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub b BW
Appellante stelt zich subsidiair op het standpunt dat voor de jaren 2006 (€ 1.920), 2008 (€ 2.753), 2010 (€ 3.786) en 2012 ( € 3.195) sprake is van gebruikelijke giften die niet bovenmatig waren in de zin van artikel 4:69 lid 1 sub b BW.
In totaal gaat het om een bedrag van € 11.654,00.
Appellante stelt dat deze jaarlijkse bedragen ruim onder de drempel voor de schenkingsbelasting vallen.
De beoordeling hierover wordt aangehouden.
Giften aan derden: artikel 4:78 BW
Naast de gestelde onjuistheid van de berekening van de legitieme stelt appellante thans in hoger beroep dat bij de berekening van de waarde van de goederen van de nalatenschap een aantal giften bij de omvang van de legitimaire massa hadden moeten worden opgeteld.
Op basis van de (enkel) aan haar verstrekte bankafschriften van de ABN rekening van erflater over het jaar 2014 tot aan zijn overlijden merkt zij op dat daarin giften aan de broer en geïntimeerde zichtbaar zijn tot een totaalbedrag van respectievelijk € 3.517,02, € 2.800,00 en € 5.588,32.
Dit had ingevolge artikel 4:78 BW aan haar moeten worden meegedeeld.
Appellante stelt zich op het standpunt dat de legitimaire massa met het totaalbedrag van € 11.905,34 moet worden verhoogd en dat haar daarvan 1/4e deel toe, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 2.976,34.
Daarop is haar vordering gebaseerd.
In het verlengde daarvan stelt appellante dat geïntimeerden de verplichtingen uit artikel 4:78 BW niet zijn nagekomen en vordert zij dat geïntimeerden op grond van dat artikel worden veroordeeld tot het verstrekken van alle informatie aangaande onder meer giften van erflater in het verleden, zie zij nodig heeft voor het berekenen van haar legitieme portie.
Het hof overweegt als volgt.
Uit artikel 4:78 BW volgt dat appellante als legitimaris recht heeft op informatie om de omvang van haar legitieme portie te kunnen berekenen.
De informatieplicht van erfgenamen aan een legitimaris die niet erfgenaam is, is op grond van dit artikel een ruime.
Dit artikel moet mede worden gelezen in samenhang met artikel 4:67 BW.
Appellante moet als legitimaris over zodanige informatie beschikken dat zij haar legitimaire aanspraak kan berekenen, waaronder ook informatie betreffende giften.
In dit geval rust de informatieplicht op geïntimeerde als erfgenaam en vanwege het bewind op haar bewindvoerders.
Appellante vordert dat daarbij ook informatie wordt verstrekt over giften en leningen al dan niet door erflater met wijlen zijn vrouw gedaan.
Appellante heeft evenwel nagelaten te onderbouwen waarom daarover informatie moet worden verstrekt, nog daargelaten dat het de vraag is of gelet op het feit dat hun moeder al op 24 juli 1994 is overleden daarover nog informatie voorhanden is.
Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing wordt de vordering op dit punt afgewezen.
De vordering tot het verstrekken van informatie is door de bewindvoerders niet betwist.
De vordering is, met inachtneming van het voorgaande, toewijsbaar.
Naar het hof begrijpt, wenst appellante met name dat bankafschriften van andere bankrekeningen van erflater alsook belastingaangiftes en -aanslagen worden verstrekt.
Om pragmatische redenen ziet het hof aanleiding om aan het verstrekken van de gevraagde opgave een termijn van drie maanden te verbinden.
Binnen die termijn moet het naar het oordeel van het hof voor de bewindvoerders van geïntimeerde mogelijk zijn om een opgave van alle giften dan wel leningen door erflater aan zowel legitimarissen-erfgenamen alsmede alle giften gedaan aan derden over een periode van vijf jaar vóór het overlijden van erflater, te verstrekken alsmede alle overige informatie over giften zoals bedoeld in artikel 4:67 BW.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.