Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 december 2021 uitspraak gedaan over inkorting van giften bij een schending van de legitieme.
Appellant en geïntimeerden zijn broers. Hun ouders waren in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Hun moeder is in 2013 overleden.
Zij heeft in haar testament appellant onterfd, haar man en geïntimeerden tot erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW van toepassing verklaard.
Hun vader is in 2014 overleden.
Hij heeft in zijn testament appellant onterfd en geïntimeerden als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
Appellant heeft afstand gedaan van zijn recht aanspraak te maken op zijn legitieme portie in de nalatenschappen van zijn ouders.
Erfrecht. Legitieme. Giften. Toerekening van giften. Bewijslast van gift. Bevoordeling? Schending legitieme portie. Legitimair tekort. Inkorting. Vermindering. Betalingsregeling.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof moet beoordelen of sprake is van giften van vader aan appellant, of die giften moeten worden ingekort en welk bedrag appellant vanwege die inkorting aan geïntimeerden moet vergoeden.
Inkorting van een gift is de vaststelling dat een begiftigde (hier: appellant) de waarde van een gift geheel of voor een deel moet vergoeden aan een legitimaris wiens legitieme portie is geschonden door die gift.
Geïntimeerden zijn legitimarissen.
Zij hebben in de dagvaarding in de procedure bij de rechtbank tijdig (binnen vijf jaar na het overlijden van vader) aanspraak gemaakt op hun legitieme portie.
Bij de berekening van de legitieme portie worden de giften die een erflater aan een kind heeft gedaan in aanmerking genomen (artikel 4:67 letter d BW), ook als dat kind is onterfd en zelf geen aanspraak maakt op zijn legitieme portie.
Het is voor giften aan een kind niet nodig dat die giften kennelijk zijn gedaan en aanvaard met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld, zoals de rechtbank heeft geoordeeld.
Geïntimeerde maakt daartegen terecht bezwaar. De grief van geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep slaagt dan ook wat dit punt betreft.
De giften die vader heeft gedaan, worden geheel aan hem toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen.
Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan.
Appellant maakt daartegen vergeefs bezwaar.
Zijn eerste grief houdt in dat de giften voor de helft aan (de nalatenschap van) moeder moeten worden toegerekend, omdat zij ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder.
Die grief faalt.
Moeder heeft aan vader in de notariële akte van 30 december 2010 toestemming op voet van artikel 1:88 BW gegeven voor alle rechtshandelingen van vader in die akte, dus ook voor de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000. Die toestemming maakt haar niet tot schenker, maar bevestigt juist dat de schenkingen alleen door vader zijn gedaan.
Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt (artikel 7:186 lid 2 BW).
Schenking is de overeenkomst om niet die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen, de andere partij, de begiftigde, verrijkt (artikel 7:175 lid 1 BW).
Gift is het ruimere begrip dat ook schenkingen omvat.
Het hof zal hierna ook bij giften spreken van schenker en begiftigde.
Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft.
Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld.
De legitimaris die een gift wil inkorten, heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift (artikel 150 Rv). De rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was.
De legitieme portie van geïntimeerden is voor ieder 1/6e hiervan of € 300.842,35.
Vader heeft aan geïntimeerden geen giften gedaan die op hun legitieme portie kunnen worden toegerekend (artikel 4:70 BW), zodat hun legitieme aanspraak gelijk is aan de legitieme portie.
Op de legitieme portie van ieder kan vervolgens worden toegerekend wat ieder krachtens erfrecht heeft verkregen (artikel 4:71 BW).
Dat is € 49.603,50.
Na toerekening daarvan blijft een legitimair tekort voor ieder van (€ 300.842,35 -/- € 49.603,50 =) € 251.238,85.
Geïntimeerden kunnen (als legitimarissen) ter zake van dit legitimair tekort een vordering verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen (ook op geïntimeerden) en, maar nu in hoedanigheid van erfgenamen) dan wel op een begiftigde, in dit geval appellant (artikel 4:79 BW).
De vorderingen van geïntimeerden als legitimarissen jegens de gezamenlijke erfgenamen ondergaan voor zover zij samen de waarde van de nalatenschap te boven gaan een evenredige vermindering op voet van artikel 4:80 lid 2 BW.
Die vordering wordt dan voor ieder van hen verminderd tot € 49.603,50.
Voor een (verdere) vermindering op voet van artikel 4:87 lid 3 BW is in dit geval geen aanleiding.
Geïntimeerden hebben ieder eenzelfde legitimaire portie en legitimair tekort en verkrijgen ieder de helft van de nalatenschap.
Inkorting van het gedeelte van de nalatenschap dat de ander verkrijgt en de daarmee gepaard gaande vermindering is dan niet nodig.
De vermindering van de vordering op voet van artikel 4:80 lid 2 BW vindt slechts plaats in de verhouding tussen geïntimeerden als erfgenamen, maar niet in de verhouding tot appellant als begiftigde.
De vordering op appellant als begiftigde blijft voor geïntimeerden ieder € 251.238,85 (artikel 4:89 lid 1 tweede zin BW).
De rechtbank heeft dat miskend door het erfdeel van geïntimeerden af te trekken van het legitimair tekort. Grief 5 in het incidenteel hoger beroep slaagt dan ook.
Voor het geval het hof oordeelt dat appellant verplicht is de waarde van het ingekorte deel van de giften aan geïntimeerden te vergoeden, vraagt hij op voet van artikel 4:5 BW een betalingsregeling te treffen.
Het hof zal dat verzoek in deze procedure behandelen.
Het is niet per se nodig dat dit verzoek wordt gedaan bij de rechtbank volgens de verzoekschriftenprocedure.
Niets staat eraan in de weg dat de rechter die beslist over een vordering tot betaling van de legitieme portie ook op dit verzoek beslist.
Op proceseconomische gronden ligt dat ook meer voor de hand dan dat partijen worden gedwongen daarover nog een afzonderlijke procedure voeren.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.