De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een buitengerechtelijke vernietiging van een schenking door de legitimaris rechtsgeldig was.
De gezamenlijke eisers vorderen een verklaring voor recht dat alle aan gedaagden gedane schenkingen reeds op 3 juli 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd.
Erfrecht. Legitieme. Giften. Buitengerechtelijke vernietiging van schenkingen door de legitimaris. Rechtsgeldige vernietiging? Verwerping van een nalatenschap. Stelplicht.
De rechter oordeelt als volgt.
Volgens gedaagden kan geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige vernietiging door de tussenkomende partij omdat hij door zijn verwerping met terugwerkende kracht op 3 juli 2019 geen erfgenaam meer was (art. 4:190 lid 4 BW) en daarmee volgens gezamenlijke gedaagden geen belang meer had bij de vernietiging.
Dit verweer wordt verworpen.
Het enkele feit dat de tussenkomende partij geen erfgenaam meer was, betekent niet zonder meer dat hij geen belang meer had bij de vernietiging.
Hij is immers legitimaris en heeft als zodanig belang bij de hoogte van de legitimaire massa.
Bij een geslaagde vernietiging kan de waarde van de nalatenschap en daarmee ook de legitimaire massa immers groter worden, omdat mogelijk niet alle giften bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking worden genomen.
Daar komt bij dat de tussenkomende partij de vernietiging mede namens de erfgenamen (gezamenlijke eisers) heeft ingeroepen.
Ook het verweer van de gezamenlijke gedaagden dat de buitengerechtelijke vernietiging niet rechtsgeldig kan zijn omdat de tussenkomende partij in zijn brief verwijst naar eerdere, niet overgelegde correspondentie waarin de rechtshandelingen reeds buitengerechtelijk zouden zijn vernietigd, kan de gezamenlijke gedaagden niet baten.
Uit het hiervoor weergegeven citaat uit de brief van 3 juli 2019 volgt immers dat de tussenkomende partij (opnieuw) alle rechtshandelingen heeft willen vernietigen.
In de brief van 3 juli 2019 is aan de buitengerechtelijke vernietiging van de schenkingen primair ten grondslag gelegd dat erflaatster tot het doen van de schenkingen werd bewogen door afhankelijkheid, lichtzinnigheid en/of een abnormale geestestoestand als gevolg van ouderdomsdementie, subsidiair dat haar geestvermogens ten tijde van de totstandkoming van de volmacht gestoord waren en dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de volmacht betrokken belangen belette en meer subsidiair dat de volmacht door haar als onbekwaam persoon werd afgegeven.
Dit is een vrijwel letterlijke weergave van de vereisten die zijn neergelegd in respectievelijk de artikelen 3:44 lid 4 BW, 3:34 BW en 3:63 lid 2 BW.
De tussenkomende partij heeft in de brief echter geen althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden vermeld die de conclusie rechtvaardigen dat aan die vereisten is voldaan.
De enkele, niet nader geconcretiseerde stelling dat erflaatster een hoge leeftijd bereikte en in het voorafgaande decennium onder meer aan ouderdomsdementie, althans aan een daarmee vergelijkbaar degeneratief verval van geestelijke vermogens leed, is daartoe onvoldoende.
De gevorderde verklaring voor recht dat alle aan gedaagden gedane schenkingen reeds op 3 juli 2019 zijn vernietigd, is dan ook niet toewijsbaar.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.