De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de het recht op informatie van de legitimaris ter berekening van de hoogte van zijn legitieme vordering.

Partijen zijn kinderen van erflater.

Op 5 mei 2021 is erflater overleden.

De erflater heeft op 28 april 2021 bij testament over zijn nalatenschap beslist.

Het testament bevat de volgende passages:

 Hoofdstuk 2 : Ik legateer aan mijn zoon, een bedrag in contanten ter grootte van zijn legitieme portie.

De executeurs hebben de executeursbenoeming aanvaard.

Bij brief van 29 juli 2021 heeft eiser het aan hem vermaakte, zogenaamde inferieure, legaat verworpen en gelijktijdig een beroep gedaan op zijn (aanvullende) legitieme portie.

Erfrecht. Legitieme. Berekening van de legitimaire massa door de legitimaris. Recht op informatie. Recht op inzage. Overleggen van stukken door de executeur. Reikwijdte.

De rechter oordeelt als volgt.

In tegenstelling tot waar de executeurs van uit lijken te gaan, grondt eiser zijn vordering niet op artikel 223 Rv, maar op artikel 843a Rv en artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de executeurs op dit punt.

Artikel 843a Rv bepaalt dat een dergelijke vordering vereist dat eiser een rechtmatig belang heeft bij de afgifte, dat de bescheiden voldoende zijn bepaald en dat de bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij eiser partij is.

Om een rechtmatig belang van bepaalde bescheiden aan te kunnen nemen, dient duidelijk te zijn dat de gevorderde stukken voor de legitieme portie noodzakelijk zijn.

Daarbij wordt meegewogen dat op de executeurs een informatieplicht rust uit hoofde van artikel 4:78 lid 1 BW.

Hoever deze informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld.

De wetgever heeft gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”, maar het is geen algemeen inzagerecht en beperkt zich tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.

Bij dit alles komt dat de executeurs niet hoeven te worden veroordeeld tot het verstrekken van bescheiden waarover eiser al beschikt.

Ook als de executeurs over bepaalde stukken niet beschikken, kunnen zij niet tot het verstrekken van een afschrift worden veroordeeld.

Met inachtneming van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.

De bankafschriften van de bankrekening over de periode van 5 mei 2014 tot en met 5 mei 2021

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn vordering in het petitum van de dagvaarding waarmee hij de eis in het incident instelt, beperkt tot de hiervoor genoemde bankrekening.

Wat hij heeft aangevoerd over andere bankrekeningen hoeft bij de beoordeling in dit incident niet te worden besproken.

De legitimaris heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de verzochte bankafschriften nodig zijn voor het bepalen van de omvang van de legitimaire massa.

Gelet op artikel 4:67 BW kan dat meer zijn dan het saldo op de sterfdatum, waarover eiser reeds beschikt.

De executeurs hebben echter voldoende onderbouwd dat deze bankrekening een zogenaamde “en/of-rekening” betreft, die inmiddels op naam van de partner van erflater is gesteld.

Daarom kunnen de executeurs van de bank geen afschriften verkrijgen.

Wel is het saldo van deze rekening per 5 mei 2021 door de executeurs betrokken bij de door hen vastgestelde omvang van de nalatenschap.

De verplichting tot het geven van verdere inzage geldt daarom niet voor deze rekening.

Dit deel van de vordering ligt voor afwijzing gereed.

Bewijs van aflossingen door gedaagde op het door hem van de erflater geleende bedrag

De executeurs hebben niet weersproken dat deze bescheiden relevant zijn voor de berekening van het bedrag dat aan eiser uit hoofde van de legitieme portie toekomt.

Het belang bij de verstrekking van deze stukken is daarmee gegeven.

Uitgaande van de eerder door de executeurs aan eiser verstrekte opgave, heeft gedaagde op 8 februari 2013, 1 januari 2016, 1 januari 2017 en 1 januari 2019 bedragen afgelost, althans zijn de betaalde bedragen op deze data op het openstaande bedrag afgeboekt.

De vordering van eiser ziet op bewijzen van deze aflossingen.

De executeurs hebben hiertoe uitdraaien van internetbankieren in het geding gebracht.

Volgens de eerder verstrekte opgave heeft gedaagde in totaal een bedrag van
€ 140.000,- afbetaald.

Uit de overgelegde betaalbewijzen volgt een totaalbedrag van € 90.000,-.

Uit de vergelijking van de door de executeurs verstrekte opgave met de door hen overgelegde betaalbewijzen lijkt te volgen dat de betaling van € 50.000,- d.d. 8 februari 2013 niet wordt gestaafd door een betaalbewijs.

De executeurs zullen worden veroordeeld deze alsnog aan eiser te verstrekken, onder gelijktijdige indiening bij de rechtbank.

Voor het overige ligt dit deel van de vordering voor afwijzing gereed.

De rechtbank gaat er van uit dat de executeurs aan de veroordeling zullen voldoen, zodat het opleggen van een dwangsom niet nodig is.

Hypothecaire leningsovereenkomst

Dit deel van de vordering ligt voor afwijzing gereed.

De executeurs stellen dat zij deze overeenkomst al aan eiser hebben verstrekt.

Eiser heeft alle aan hem ter beschikking gestelde bescheiden als productie bij de dagvaarding overgelegd.

Onder de overgelegde stukken bevindt zich de eerste pagina van een notariële hypothecaire leningovereenkomst die is aangegaan tussen de erflater en – onder andere – B.

Zwitserleven pensioenpolis

Dit deel van de vordering ligt voor afwijzing gereed.

De executeurs hebben voldoende onderbouwd dat dit een polis van de partner van erflater was en is.

Overigens vindt de rechtbank – anders dan eiser aanvoert –bij de dagvaarding ook geen gegevens, waaruit anders zou volgen.

De Rabo Toekomst Uitkering polis en de berekening van de Latente inkomstenbelasting bij de Rabo Lijfrente

De executeurs hebben bij hun conclusie van antwoord in incident correspondentie overgelegd die Rabobank West-Friesland aan hen heeft gestuurd naar aanleiding van het gedane verzoek tot opheffing van de rekening.

Onderdeel van deze correspondentie is een door de Rabobank West-Friesland gedane opgave van het saldo van de rekening d.d. 4 januari 2022.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee vooralsnog voldoende informatie heeft om zijn hierover in de hoofdzaak in te nemen standpunt op te kunnen baseren.

Voor zover de vordering ziet op de berekening van de Latente inkomstenbelasting heeft eiser deze vordering niet onderbouwd.

Dit deel van de vordering ligt voor afwijzing gereed.

 Afschrift van de Inkomstenbelasting / ZvW 2021

De rechtbank begrijpt dit deel van de vordering aldus dat eiser verlangt dat de aanslag Inkomstenbelasting/ ZvW over het jaar 2021 aan hem wordt verstrekt.

De eiser beschikt immers zelf al over de aangifte.

De executeurs betwisten niet dat eiser er belang bij heeft om over de aanslag te beschikken.

Zij stellen echter dat de aanslag nog niet van de Belastingdienst is ontvangen.

De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen.

De vordering ligt daarmee voor afwijzing gereed.

Het voorgaande doet overigens niet af aan de gehoudenheid van de executeurs om na ontvangst deze aanslag onverwijld aan eiser te verstrekken en in het geding te brengen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.