Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een beroepsfout van een notaris jegens de erfgenaam bij het opstellen en verstrekken van een verklaring van erfrecht.

Schending informatieplicht. Beroep op legitieme niet meer mogelijk. Schadevergoeding.

De volgende feiten staan in rechte vast:

Op 17 november 2007 is de moeder van eiseres (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster heeft uit een eerder huwelijk 3 kinderen.

Uit de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht blijkt dat erflaatster bij testament van 30 december 2005 haar echtgenoot voor één honderdste gedeelte (1/100ste) tot erfgenaam heeft benoemd en twee van haar kinderen, te weten eiseres en haar zus, tezamen en voor gelijke aandelen voor het resterende negenennegentig honderdste (99/100ste) deel. Bij voormeld testament is niet afgeweken van de wettelijke verdeling, als gevolg waarvan de langstlevende echtgenoot alle goederen van de nalatenschap van erflaatster heeft verkregen, alsmede de voor zijn rekening komende schulden van de nalatenschap. Daarnaast heeft erflaatster een legaat toegekend aan twee kinderen.

Eiseres als erfgename legt aan haar vordering ten grondslag dat de notaris jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade lijdt.

De erfgename betoogt dat de notaris zijn zorgplicht heeft geschonden omdat hij haar niet heeft geïnformeerd over de inhoud van het testament van erflaatster alsmede omdat de notaris de verklaring van erfrecht heeft opgesteld zonder hierover contact op te nemen met de erfgename, zonder haar te vragen om toezending van haar legitimatiebewijs, zonder haar een afschrift te sturen van de opgestelde verklaring van erfrecht, alsmede zonder haar erop te wijzen dat zij een beroep kon doen op haar legitieme portie.

De mogelijkheid om een beroep te doen op haar legitieme portie is inmiddels vervallen, terwijl de omvang van de legitieme massa niet bekend is, zo betoogt de advocaat van erfgename.

In dit verband voert erfgename aan dat tot de nalatenschap van erflaatster in ieder geval behoorde een vordering op haar zus ter zake een door erflaatster aan haar verstrekte lening van € 182.125,-in verband met de verkoop van de aan erflaatster in mede-eigendom toebehorende woning. De De advocaat van erfgename betoogt dat deze vordering op de zus van belang is in het kader van het vaststellen van haar legitieme aanspraak in de nalatenschap van erflaatster en thans voor de berekening van haar schade ten gevolge van de fout van de notaris.

Ter comparitiezitting heeft de notaris als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering van erfgename is verjaard.

Ter onderbouwing hiervan heeft de notaris aangevoerd dat erfgename in 2007 bekend had kunnen zijn met de schade en de aansprakelijke persoon. De notaris betoogt dat op erfgename een onderzoeksplicht rustte, hetgeen zij heeft verzaakt omdat zij wist dat een notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster en erfgename aldus op de hoogte had kunnen geraken van de omstandigheid dat zij erfgenaam is van erflaatster. In de visie van de notaris waren de feiten voor erfgename eenvoudig te achterhalen, zodat erfgename in dit opzicht actiever had dienen te zijn. Hierbij wordt een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad, NJ 2012, 196.

Hoewel het beroep op verjaring eerst ter comparitiezitting is gedaan, heeft erfgename hiertegen processueel geen bezwaar gemaakt. Erfgename heeft ter comparitiezitting betwist dat sprake is van verjaring, stellende dat zij pas in 2014 bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon omdat zij toen pas op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat de notaris in 2007 een verklaring van erfrecht ter zake de nalatenschap van erflaatster heeft afgegeven.

Beroepsfout notaris. Beroep op legitieme niet meer mogelijk. Schadevergoeding. Verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het tweede onderdeel van de door erfgename ingestelde rechtsvordering een vordering tot schadevergoeding betreft zodat deze op grond van het bepaalde in art. 3:310 lid 1 BW verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

Als uitgangspunt geldt dat voormelde termijn van vijf jaar begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (HR 24 januari 2003, LJN AF0694, NJ 2003/300 en HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112); het enkele vermoeden van schade volstaat niet (HR 24 maart 2006, NJ 2007, 377).

Dat betekent dat de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

Het begrip ‘bekendheid’ moet naar jurisprudentie van de Hoge Raad subjectief worden opgevat. Vereist is daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. Het gaat om bekendheid met de feiten en omstandigheden; niet is vereist dat de benadeelde ook daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden (HR 26 november 2004, NJ 2006/115, ECLI:NL:HR:2004: AR1739).

Verder geldt dat het beginsel van subjectieve bekendheid in redelijkheid moet worden toegepast. Uiteindelijk hangt het van alle omstandigheden van het geval af of een beroep op verjaring slaagt (Hoge Raad, 9 juli 2010, LJN BM1688, NJ 2012,194).

Zelfs indien in het onderhavige geval veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat erfgename in 2007 had kunnen constateren dat de notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster, dan geldt alsnog ingevolge de wet (artikel 3:310 lid 1 BW) dat de relatieve termijn van vijf jaar eerst aanvangt op het moment dat erfgename daadwerkelijk bekend is geworden met zowel de schade als de aansprakelijke persoon. Dat moment ligt in ieder geval niet eerder dan omstreeks september 2014. Vast staat immers dat het erfgename eerst in september 2014, nà het overlijden van haar zus, duidelijk is geworden dat de notaris in 2007 een verklaring van erfrecht ter zake de nalatenschap van erflaatster heeft afgegeven. Dit blijkt ook uit de inhoud van de brief van de notaris van 19 september 2014 aan erfgename. Dat is het moment waarop erfgename bekend is geworden met het handelen van de notaris en derhalve met de aansprakelijke persoon. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vereiste bekendheid met de schade. Tot omstreeks september 2014 was er voor erfgename geen schade nu erfgename ter comparitiezitting onweersproken heeft verklaard dat haar stiefvader nog leefde toen erflaatster overleed en zij er toen vanuit is gegaan dat de nalatenschap van erflaatster aan haar echtgenoot toekwam. Dit is juist nu bij testament van erflaatster niet is afgeweken van de wettelijke verdeling waardoor echtgenoot als echtgenoot van erflaatster van rechtswege alle goederen van de nalatenschap van erflaatster heeft verkregen, alsmede de schulden van de nalatenschap die voor zijn rekening komen.

Daarnaast is de langstlevende echtgenoot op basis van het testament van erflaatster voor (1/100ste) tot erfgenaam benoemd én erfgename en haar zus, tezamen en voor gelijke aandelen voor het resterende negenennegentig honderdste (99/100ste).

Vast staat dat de stiefvader van erfgename in 2012 is overleden, terwijl gesteld noch gebleken is dat de nalatenschap van erflaatster nadien op enigerlei wijze aan de orde is gekomen. Gelijk in het arrest van de Hoge Raad, NJ 2012, 196, waarop de notaris een beroep heeft gedaan, dient voor het aanvangen van de verjaringstermijn sprake te zijn van daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als de aansprakelijke persoon, waarbij het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Gelijk hiervoor is overwogen geldt daarbij dat niet vereist is dat erfgename daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden.

Bij deze stand van zaken is derhalve niet relevant of erfgename in 2007 had kunnen ontdekken dat de notaris betrokken was bij de nalatenschap van erflaatster alsmede dat zij erfgenaam van erflaatster was, zoals de notaris tevergeefs betoogt. Nu de zogeheten subjectieve bekendheid van erfgename van 2014 dateert en deze op dit moment nog geen vijf jaar is geleden geldt daarom dat de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet is verstreken. Het beroep van gedaagden op verjaring slaagt derhalve niet.

Met betrekking tot de vraag of de notaris een beroepsfout kan worden verweten, geldt het navolgende.

Voorop gesteld wordt dat partijen hun stellingname hebben gestoeld op de positie van erfgename als legitimaris terwijl vast staat dat eiser uit hoofde van het testament van erflaatster tevens erfgenaam is van erflaatster. Hieraan doet niet af dat de door erfgename gestelde schade gegrond is op hetgeen zij als legitimaris verkregen zou kunnen hebben. Nu aan de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd de vraag of de notaris ten opzichte van de legitimaris een beroepsfout heeft gemaakt, geldt dat zulks tevens beoordeeld dient te worden vanuit de positie van eiseres als erfgenaam.

Een notaris dient zijn ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te behartigen (zie artikel 17, lid 1, Wet op het Notarisambt (Wna).

Daarnaast heeft de notaris in het kader van de op hem rustende zorgplicht een informatieplicht zoals blijkt uit het bepaalde in artikel 43 Wna jo artikel 4 Verordeningen Beroeps- en Gedragsregels van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.

In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de notaris na het overlijden van erflaatster in 2007 een verklaring van erfrecht heeft opgesteld zonder medeweten van erfgename, zoals ook blijkt uit de inhoud van de door de notaris aan erfgename toegezonden brief van 19 september 2014.

In de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht wordt geconstateerd dat door erflaatster een (ouderlijke boedel)verdeling is gemaakt en dat, ingevolge die verdeling aan de langstlevende echtgenoot, de aanwezige goederen zijn toegedeeld onder de verplichting alle schulden voor zijn rekening te nemen.

Met de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht wordt aldus te kennen gegeven dat er sprake is van een verdeling tussen alle erfgenamen, waartoe ook erfgename behoort.

Voorwaarde voor zo’n verdeling is echter wel dat zekerheid verkregen dient te worden dat de langstlevende echtgenoot en – in dit geval de andere erfgenamen – de nalatenschap van erflaatster ook hebben aanvaard. Vast staat dat de echtgenoot de notaris heeft opgedragen de bewuste verklaring van erfrecht af te geven, maar dat de notaris erfgename niet heeft benaderd om te verifiëren of zij de nalatenschap van erflaatster wenste te aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat de notaris bij de zus van erfgename, heeft geverifieerd of zij de nalatenschap van erflaatster wenste te aanvaarden.

Het nalaten de notaris ter zake voormelde verificatie acht de rechtbank laakbaar en strijdig met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mag worden verwacht. Daarnaast heeft de notaris nagelaten om eiseres als erfgenaam te informeren omtrent haar rechtspositie, terwijl in het onderhavige geval reden bestond om alle erfgenamen te informeren omtrent hun (rechts)positie. Dit gezien de omstandigheid dat in het testament van erflaatster een aantal specifieke bepalingen zijn opgenomen zoals de onterving van de zus van erfgename, alsmede het toekennen van legaten aan de kinderen. Nu vast staat dat de door de notaris opgestelde verklaring van erfrecht geheel buiten medeweten van eiseres als erfgenaam is opgesteld en zij hieromtrent niet is geïnformeerd, geldt dat de notaris onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld.

De rechter wijst erop dat dit oordeel overeenstemt met de binnen de beroepsgroep van notarissen geldende regels.

De rechtbank wijst hierbij op de uitgangspunten van de Werkgroep deontologie nieuw erfrecht, zoals gepubliceerd in WPNR 2004, 6585 en waarnaar de advocaat van erfgename heeft verwezen. Deze zijn opgesteld om een notaris uitgangspunten te bieden bij de invulling van zijn rol bij de behandeling van een nalatenschap. Uit de inhoud van voormeld stuk blijkt dat voormelde werkgroep als uitgangspunt hanteert dat de notaris die een verklaring van erfrecht afgeeft de door hem vastgestelde erfgenamen aanschrijft en informeert. Dit teneinde de erfgenaam te informeren omtrent zijn rechtspositie en daarmee ook over de positie van derden-belanghebbenden zoals een onterfd kind of een legataris, waarbij met name gedacht wordt aan de (wils)rechten die kunnen worden ingeroepen of relevante termijnen.

Gelet hierop en bij gebreke van enige onderbouwing verwerpt de rechter de ter comparitiezitting door de notaris afgelegde verklaring dat het ingeval van een wettelijke verdeling niet gebruikelijk is om alle erfgenamen te informeren.

Het verstrekken van voormelde informatie behoort immers tot de normale werkzaamheden die moeten worden verricht in het kader van het afgeven van de verklaring van erfrecht, ongeacht of de opdrachtgever daartoe expliciet opdracht heeft gegeven.

De rechter passeert de ter comparitiezitting afgelegde verklaring van de notaris dat de informatieplicht jegens erfgenamen afhankelijk is van het soort testament, alsmede dat de omstandigheden van het onderhavige geval rechtvaardigen dat erfgename niet is opgeroepen; dit omdat de echtgenoot een kopie of origineel van het paspoort van erfgename beschikbaar heeft gesteld én omdat sprake was van een goede familiaire verhouding.

Nog daargelaten dat de notaris deze stellingname geenszins gemotiveerd heeft onderbouwd, geldt bovendien dat dit argument niet strookt met de geldende wet- en regelgeving, een en ander zoals hiervoor uiteengezet. Met voormelde stellingname wordt miskend dat ingevolge het bepaalde in artikel 17 Wna de notaris zijn ambt onafhankelijk, zorgvuldig en met behartiging van de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen dient uit te oefenen.

Afgaan op mededelingen van één erfgenaam, in de wetenschap dat er meerdere erfgenamen zijn en met kennis van de inhoud van het testament van erflaatster, het doen van aannames op basis van door echtgenoot beschikbaar gestelde stukken, alsmede het zich laten leiden door vermeende familiaire verhoudingen, zonder zelf onderzoek te doen, noch de overige erfgenamen op enigerlei wijze te verwittigen en te informeren, past geenszins bij de opvattingen over zorgvuldige beroepsuitoefening en de daarbij geldende onafhankelijke en onpartijdige positie van de notaris.

Uit het vorenstaande volgt dat de notaris een beroepsfout kan worden verweten en dat hij onrechtmatig jegens erfgename heeft gehandeld.

Dat betekent dat gedaagden in beginsel aansprakelijk zijn voor de hierdoor door erfgename geleden schade. Erfgename vordert een verwijzing naar de schadestaat. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is, wat betreft de elementen causaal verband en schade, voldoende dat de mogelijkheid van causaal verband en schade aannemelijk is. Naar het oordeel van de rechter is aan deze voorwaarde voldaan.

Door erfgename is immers onweersproken gesteld dat ten gevolge van het handelen van de notaris de mogelijkheid om een beroep te doen op haar legitieme portie is vervallen, hetgeen juist is gezien het bepaalde in artikel 4:85 lid 1 BW.

Erfgename heeft voorts onweersproken aangevoerd dat de omvang van de legitieme massa niet bekend is omdat niet alle gegevens bekend zijn, zodat de schade dient te worden opgemaakt bij staat. In dit verband heeft erfgename verder onbestreden aangevoerd dat tot de nalatenschap van erflaatster in ieder geval behoorde een vordering op haar zus ter zake een mede door erflaatster aan haar verstrekte geldlening van € 182.125,- in verband met de verkoop van de aan erflaatster in mede-eigendom toebehorende woning. Gelet op het voorgaande wordt de mogelijkheid aannemelijk geacht dat erfgename schade heeft geleden, zodat haar vordering toewijsbaar is als hierna vermeld in het dictum.

Wilt u de hele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over een testament of een verklaring van erfrecht, over de wilsrechten, over informatieplichten in het erfrecht of over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.