Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Den Haag heeft op 27 februari 2019 uitspraak gedaan over een beroep op legitieme portie. Bevatte de bedrijfsoverdracht door vader op zoon een materiële schenking? Overdracht voor niet-commerciële waarde was een materiële schenking die een rol speelt bij de bepaling van de omvang van de legitieme van de bedrijfsopvolger.

Partijen zijn het erover eens dat eiser, ondanks dat erflater in zijn testament heeft laten opnemen dat hij dat zou betreuren, aanspraak kan maken op zijn legitieme portie.

Omdat erflater drie afstammelingen heeft, bedraagt de legitieme portie van eiser 1/6e deel van de zogenoemde legitimaire massa (artikel 4:64 BW).

De legitimaire massa wordt bepaald door de waarde van de nalatenschap, vermeerderd met een aantal in aanmerking te nemen giften en verminderd met een aantal door de wet aangeduide schulden.

Eiser en gedaagde verschillen van mening over de omvang van de legitimaire massa en dus ook over de hoogte van de legitieme van eiser.

Partijen hebben beiden bij de berekening van de legitimaire massa de aangifte erfbelasting als uitgangspunt genomen, en daarop een aantal aanpassingen gedaan.

Partijen verschillen van mening over het volgende:

-heeft erflater bij de bedrijfsovername aan eiser een schenking gedaan, die bij het berekenen van de legitieme portie een rol speelt?

-had eiser een schuld aan erflater, omdat hij te weinig rente heeft betaald over schulden die hij had aan erflater?

Beroep op legitieme portie. Bevatte bedrijfsoverdracht door vader op zoon een materiële schenking? Overdracht voor niet-commerciële waarde was materiële schenking die rol speelt bij bepaling legitieme van de bedrijfsopvolger.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen verschillen van mening over de vraag of erflater [eiser] bij de bedrijfsovername heeft bevoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van een materiële schenking (die bij het berekenen van de legitieme portie een rol speelt). Bij de beoordeling van dit geschil neemt de rechtbank de volgende feiten tot uitgangspunt.

In het verdere en recente verleden is veelvuldig geprocedeerd over de vraag of sprake is van een schenking of gift, wanneer een (veelal agrarisch) bedrijf wordt overgedragen van ouder op kind en de koopprijs lager is dan de waarde van het bedrijf in het economisch verkeer.

In het algemeen wordt in de rechtspraak niet snel aangenomen dat sprake is geweest van een schenking. De achtergrond daarvan is de volgende.

Veelal zijn het de broers en zussen van het kind dat het familiebedrijf tegen gunstige voorwaarden heeft voortgezet, die na het overlijden van hun ouder een beroep doen op hun legitieme portie.

Zij stellen dan dat de bedrijfsopvolger bij de overname van het bedrijf is bevoordeeld, en dat het bedrag van deze bevoordeling als gift moet worden meegenomen bij het bepalen van de legitimaire massa.

Op die manier valt immers hun legitieme portie hoger uit.

Keerzijde van de medaille is dan echter dat de bedrijfsopvolger (een gedeelte van) die schenking in geld moet afstaan aan zijn broers en zussen. De schenking “zit echter in het bedrijf”, en kan dus niet altijd makkelijk liquide worden gemaakt.

Daarbij komt dat het een bewuste keuze is geweest van de ouder(s) om het bedrijf tegen gunstige voorwaarden over te dragen aan hun kind, veelal omdat zij het op prijs stellen dat het bedrijf door hun kind wordt voortgezet. Zij nemen dan genoegen met een lagere koopprijs, ook om op die manier ervoor te zorgen dat het bedrijf nog rendabel kan worden voortgezet.

In die omstandigheden past het niet dat de wens van de ouders wordt doorkruist, doordat de bedrijfsopvolger in financiële problemen wordt gebracht wanneer zijn broers en zussen een beroep doen op hun legitieme portie.

In dit geval doet zich echter de “omgekeerde” situatie voor. Het is immers eiser zelf die het bedrijf heeft voortgezet en die nu aanspraak maakt op zijn legitieme.

Omdat erflater blijkens zijn testament van mening was dat eiser bij de bedrijfsovername is bevoordeeld en hij zijn dochters daarvoor wilde compenseren, heeft hij eiser uitgesloten als zijn erfgenaam.

Gelet op deze uitdrukkelijk wens van erflater, ziet de rechtbank geen aanleiding om met de hiervoor beschreven terughoudendheid te oordelen over de vraag of eiser bij de bedrijfsovername is bevoordeeld.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de prijs waarvoor eiser het bedrijf heeft overgenomen, veel lager ligt dan de waarde in het economisch verkeer.

Het verschil tussen de overnameprijs en de economische waarde moet worden aangemerkt als een materiële schenking die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van gedaagde.

Eiser heeft als verweer allereerst aangevoerd dat uit de tekst van de akte verdeling maatschapsvermogen blijkt dat geen sprake is geweest van een gift.

Hij heeft er in dit verband op gewezen dat aan het eind van de akte is opgenomen “dat thans gemelde verdeling naar volkomen genoegen van de deelgenoten is tot stand gebracht en dat iedere deelgenoot het hem of haar toekomende heeft ontvangen, zodat zij elkaar ter zake van deze verdeling volledig kwiteren en déchargeren”.

De rechtbank gaat aan dit standpunt voorbij.

Uit deze formulering blijkt weliswaar dat er naar het oordeel van erflater geen financiële “open eindjes” meer waren, maar dat neemt niet weg dat sprake kan zijn geweest van een materiële schenking waarmee rekening moet worden gehouden bij het berekenen van de legitieme portie van eiser.

Deze procedure gaat immers niet over een vordering van erflater op eiser in verband met de bedrijfsovername, maar over de vraag of bij het berekenen van de legitieme portie van eiser rekening moet worden gehouden met een voordeel dat hij destijds dankzij erflater heeft genoten.

Eiser heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat – als er al sprake is geweest van een schenking – het vorderingsrecht inmiddels is verjaard.

De rechtbank passeert ook dit verweer. Artikel 4:67 BW bepaalt dat bij het bepalen van legitimaire aanspraak rekening moet worden gehouden met giften aan afstammelingen (ongeacht wanneer deze zijn gedaan).

Gedaagde stelt dat uit de volgende omstandigheden blijkt dat bij de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een materiële schenking door erflater aan eiser :

-erflater heeft in zijn testament duidelijk te kennen gegeven dat hij het bedrijf tegen een lage prijs aan eiser heeft overgedaan en spreekt in dit verband over “bevoordeling”;

-de grond is voor een veel lagere prijs dan de marktwaarde aan eiser overgedragen;

-eiser heeft erflater niets hoeven betalen voor het melkquotum;

-voor de waardering van de boerderij is uitgegaan van de waarde in bewoonde staat (te weten 60% van de getaxeerde waarde), terwijl het eiser zelf was die in de boerderij woonde.

Gedaagde stelt dat de bevoordeling van eiser aanzienlijk is geweest (hij stelt dat alleen al het melkquotum ruim € 500.000 waard was), maar heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze procedure moet worden uitgegaan van een gift ter waarde van € 105.000.

Hij heeft daartoe verwezen naar het testament, waaruit blijkt dat erflater wilde dat zijn kinderen ongeveer gelijk behandeld zouden worden.

Wanneer de gift ter zake van de bedrijfsovername op € 105.000 wordt gesteld, bedraagt de legitieme van eiser nihil. Daarmee wordt aan de wens van erflater tegemoet gekomen, aldus gedaagde.

Eiser heeft betwist dat sprake is geweest van een gift. Hij heeft aangevoerd dat erflater en hij hebben gehandeld als zakelijke partijen en dat voor hen beiden het meest optimale resultaat is bereikt.

Als gift wordt aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt (artikel 7:186 lid 2 BW).

Of sprake is van een gift, moet worden beoordeeld naar het moment waarop die gift gedaan zou zijn (in dit geval dus het moment van de bedrijfsoverdracht, 1 april 1997).

Om te beoordelen of bij de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een gift, moet dus eerst worden vastgesteld of op dat moment sprake was van een verrijking van eiser en een verarming van erflater.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Voldoende is komen vast te staan dat de prijs die eiser aan erflater heeft betaald, lager was dan de waarde in het economisch verkeer.

Dit blijkt alleen al uit het feit dat eiser een jaar na de bedrijfsovername grond heeft verkocht en aangekocht voor een bedrag van (gemiddeld) ƒ 77.500 per hectare, terwijl hij die grond van erflater had overgenomen voor (gemiddeld) ƒ 22.500 per hectare.

Voor dit grote prijsverschil heeft eiser geen goede verklaring kunnen geven. Hij heeft weliswaar betoogd dat de grondprijs bij de bedrijfsovername werd gedrukt doordat er relatief veel water in zat, maar dat water is kennelijk bij de verkoop van de grond geen waarde-verlagende factor geweest.

Bovendien heeft gedaagde verwezen naar de e-mail van de rentmeester, die van oordeel is dat de marktwaarde van de grond in april 1997 ƒ 55.000 per hectare moet zijn geweest. Eiser heeft die bevindingen niet voldoende gemotiveerd weersproken.

Daarbij komt dat uit de rapportage van de accountant uit 1997 blijkt dat de boekwaarde van het melkquotum ƒ 46.530 was, terwijl gedaagde – onder verwijzing naar de hiervoor genoemde e-mail van de rentmeester – heeft aangevoerd dat de economische waarde van het melkquotum ruim € 500.000 was.

Eiser heeft dat standpunt weliswaar betwist, maar heeft zich in zijn conclusie van antwoord in reconventie ook op het standpunt gesteld dat er “voor vele tonnen melkquotum is bijgekocht tijdens het bestaan van de maatschap”. Uitgaande van die investering, blijkt ook daaruit dat de boekwaarde van het melkquotum niet in overeenstemming was met de marktwaarde.

De omstandigheid dat eiser geen voordeel heeft genoten van het melkquotum omdat hij het nooit heeft verhandeld en omdat het inmiddels is afgeschaft, doet aan het voorgaande niet af. Het is weliswaar zuur dat de door eiser gestelde investering in het melkquotum door de afschaffing daarvan in rook is opgegaan, maar zoals de rechtbank overwoog, moet naar de situatie per 1 april 1997 worden beoordeeld of sprake is geweest van een gift.

Relevant is dus de vraag of erflater op dat moment een hogere prijs voor het melkquotum zou hebben gekregen, wanneer hij het bedrijf niet aan eiser zou hebben overgedragen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval.

Kortom: de rechtbank is van oordeel dat eiser bij de bedrijfsoverdracht is verrijkt en dat erflater hierdoor is verarmd.

Dat partijen een prijs zijn overeengekomen waarbij het bedrijf nog rendabel kon worden geëxploiteerd, zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, maakt dat niet anders.

Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de belastingdienst de overdracht niet als een schenking heeft aangemerkt.

De enkele vraag die de rechtbank in dit verband moet beoordelen, is of erflater een hogere prijs had kunnen genereren als hij het bedrijf niet aan eiser zou hebben overgedragen. Het antwoord op die vraag is ja.

Vervolgens moet worden beoordeeld of erflater bij de bedrijfsoverdracht de bedoeling heeft gehad eiser te bevoordelen.

Ook die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Gedaagde heeft in dit verband aangevoerd dat erflater onmiddellijk na de bedrijfsoverdracht met zijn kinderen heeft besproken dat hij wilde dat de verkoopopbrengst van zijn woning na zijn overlijden alleen ten goede zou komen aan zijn dochters, maar dat dit na verloop van tijd op verzet stuitte van eiser.

Voor zover eiser deze stelling heeft willen betwisten (hij heeft ter zitting desgevraagd gezegd dat hij zich wel iets kan herinneren over een discussie over de woning), geldt dat de stelling van gedaagde wordt onderschreven door de tekst van het testament.

Daarin heeft erflater immers laten opnemen dat hij dit testament heeft laten opmaken “mede in verband met het feit dat discussie dreigt te ontstaan of is ontstaan over de waarde van de aan hem toebehorende woning”.

De rechtbank gaat er dus vanuit dat erflater zich in 1997 bewust is geweest van de bevoordeling van eiser (en dat hij al toen heeft gezocht naar manieren om zijn dochters daarvoor te compenseren).

In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat ten tijde van de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een materiële schenking aan eiser.

Gelet op hetgeen de rechtbank overwoog, stelt zij bovendien vast dat de materiële schenking destijds het door gedaagde genoemde bedrag van € 105.000 moet hebben overstegen. De precieze omvang van de materiële schenking kan daarom in het midden blijven en de rechtbank zal uitgaan van het bedrag van € 105.000.

Partijen zijn het erover eens dat het door erflater aan eiser kwijtgescholden bedrag van € 4.243 ook als schenking in aanmerking moet worden gehouden, zodat de totale materiële schenking aan eiser €109.243 bedraagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de berekening van de omvang van de legitieme, over een bedrijfsoverdracht in het erfrecht, of over een schenking en gift en de vaststelling van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.