Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 april 2018 uitspraak gedaan over de berekening van de legitieme. De legitimaris, niet-erfgenaam, heeft recht op informatie van de executeur (artikel 4:78 BW) Giften als bedoeld in artikel 4:67 BW.

Voordat de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling overgaat, zal zij eerst stilstaan bij de consequenties van de eerder tussen partijen gevoerde procedures. Voor zover eiseres in de huidige procedure verstrekking van bepaalde inlichtingen of stukken vordert waarover al is beslist door de kantonrechter, zal de rechtbank evenals de voorzieningenrechter destijds, niet in de beoordeling daarvan treden. De rechtbank zal ten aanzien van deze inlichtingen of stukken alleen beoordelen of de gevorderde dwangsom kan worden toegewezen. Daarvoor is relevant of de executeur deze stukken inmiddels heeft verstrekt.

Ten aanzien van de overige inlichtingen of stukken waarop eiseres aanspraak maakt, geldt het volgende.

Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft. Vanwege de eerder genoemde privatieve bevoegdheid van de executeur, gaat de rechtbank ervan uit dat eiseres in dit verband alleen de executeur kan aanspreken.

Voor de bepaling van de legitieme vordering is ook van belang welke giften de legitimaris van erflater heeft ontvangen; deze komen op grond van artikel 4:70 lid 1 BW in mindering op zijn legitieme portie. Eiseres is daarom op grond van de redelijkheid en de billijkheid gehouden inzichtelijk te maken welke giften zij van erflaatster heeft ontvangen, zoals hierna nog aan de orde zal komen.

De rechtbank stelt vast dat de kantonrechter al heeft geoordeeld over de nu door eiseres onder A gevorderde volledige en definitieve aangifte erfbelasting. Dit is door de voorzieningenrechter onder oplegging van een dwangsom herhaald.

De executeur heeft zich tegen de vordering verweerd met de stelling dat hij deze aangifte al heeft overgelegd, nog vóór de procedure voor de voorzieningenrechter. Zoals hiervoor is weergegeven stelt eiseres zich op het standpunt dat zij twee verschillende aangiftes heeft ontvangen en dat dit vragen oproept. Wat daar verder ook van zij, ter zitting is tussen partijen overeengekomen dat de executeur aan eiseres de volledige definitieve aangifte voor successie zal verstrekken en dat de executeur hieraan inmiddels heeft voldaan door deze als productie 18 bij akte in het geding te brengen. Dat betekent dat dit verzoek dient te worden afgewezen bij gebrek aan belang.

De kantonrechter heeft de executeur ook veroordeeld tot het verstrekken van informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en, indien verricht, afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken.

Berekening legitieme. legitimaris niet-erfgenaam heeft recht op informatie van de executeur. Giften als bedoeld in artikel 4:67 BW.

De rechter oordeelt als volgt.

Voor de volledigheid stelt de rechtbank voorop dat in artikel 4:67 BW is bepaald dat voor de bepaling van de legitieme vordering de volgende door erflater gedane giften in aanmerking worden genomen a) giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld b) giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard c) giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten d) giften door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is e) andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaar voor zijn overlijden is geschied. In beginsel geldt dat de legitimaris recht heeft op een overzicht van alle giften van de erflater. Als deze allemaal in kaart zijn gebracht, kan vervolgens bezien worden of deze vallen onder het bereik van artikel 4:67 BW en van belang zijn voor de vaststelling van de legitieme portie.

In de onderhavige procedure vordert eiseres verstrekking van stukken waarmee de schenkingen aan gedaagde, diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld.

Voor de giften van erflaatster aan gedaagde geldt bij voorbaat dat deze vallen onder artikel 4:67 BW onder d, zodat deze stukken zijn begrepen in de veroordeling van de kantonrechter. De rechtbank stelt vast dat de executeur een overzicht van (onder meer) de aan hem geschonken bedragen heeft ingediend en de daarmee corresponderende bankafschriften, zodat eiseres geen belang meer heeft bij haar vordering tot informatie over de schenkingen aan gedaagde.

In ditzelfde overzicht heeft de executeur ook schenkingen vermeld die erflaatster aan anderen (dan aan hem) heeft gedaan in de vijf jaar voor haar overlijden, eveneens voorzien van de onderliggende bankafschriften.

Dit zijn de giften die vallen onder artikel 4:67 lid 1 onder e zodat hij in zoverre ook heeft voldaan aan de veroordeling van de kantonrechter.

De executeur stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat giften aan zijn vrouw en kinderen alleen relevant zijn voor zover zij zijn gedaan in het tijdvak tot vijf jaar vóór het overlijden van erflaatster en dat hij, voor zover daarvan sprake is geweest, deze giften heeft vermeld in het overzicht.

Eiseres stelt dat álle giften aan zijn vrouw en kinderen moeten worden vermeld omdat erflaatster aan gedaagde en zijn kinderen giften heeft gedaan met het oogmerk haar als legitimaris te benadelen, zodat deze giften vallen onder het bepaalde in artikel 4:67 lid 1 onder a BW. Zij stelt daartoe dat gedaagde de relatie tussen erflaatster en eiseres “blijkbaar” “sterk negatief” heeft beïnvloed. De rechtbank ziet daar geen aanknopingspunten voor. Daartoe overweegt zij het volgende.

De hiervoor genoemde productie van de executeur, bestaat uit 12 bladzijden, waarvan de eerste bladzijde identiek is aan die door eiseres als productie bij de dagvaarding is overgelegd. Bovenaan deze bladzijde, zowel die door eiseres als productie is ingediend als die behoort bij productie van de executeur, staat:

Vonnis kort geding van 18 maart 2016

bepaalt dat de executeur binnen twee weken na betekening van dit vonnis moet voldoen aan de veroordeling in de beschikking van de kantonrechter van 8 januari 2016 ten aanzien van het verstrekken van informatie over giften als bedoeld in artikel 4:67 BW en – indien beschikbaar – het verstrekken van afschriften van bankafschriften (of een print van de internetpagina’s) waaruit die giften blijken”

Uit het feit dat deze twee bladzijden identiek zijn (op de bladzijdenummering na die in de productie van eiseres is weggelaten) en de hierboven aangehaalde veroordeling van de kortgedingrechter leidt de rechtbank af dat productie 3 van eiseres de eerste bladzijde is van het overzicht van giften – met kopieën van de met de bedragen corresponderende bankafschriften – dat de executeur op 1 april 2016 naar aanleiding van het kortgedingvonnis aan eiseres heeft verstrekt en dat de executeur terecht heeft aangevoerd dat eiseres in de dagvaarding heeft doen voorkomen dat zij nog niet over een dergelijk overzicht beschikte.

Naast de negatieve indruk die eiseres hiermee heeft willen wekken, heeft zij gesuggereerd dat gedaagde zo’n € 235.000,- heeft weggesluisd van de rekening van erflaatster sinds het overlijden van de vader van partijen omdat gedaagde erflaatster sinds dat overlijden hielp bij het doen van de financiën.

Opvallend voor de redeneringen van eiseres die leiden tot haar conclusie dat zij door erflaatster en door gedaagde benadeeld is, is dat zij uitgaat van de veronderstellingen 1) dat erflaatster in januari 2001 beschikte over een saldo van € 379.236,- op haar (niet nader genoemde) bankrekeningen 2) dat zij daar bovenop jaarlijks een bedrag van € 20.000,- AOW/ABP ontving dat zij niet of nauwelijks hoefde aan te breken omdat zij sober leefde sinds haar opname in het verpleeghuis in 2010 zodat 3) een banksaldo van € 650.000,- deel zou moeten uitmaken van de nalatenschap van erflaatster en dat 4) erflaatster aan gedaagde een bedrag van € 135.959,58 en zijn beide zoons ieder € 139.746,05 heeft geschonken.

De executeur heeft al deze veronderstellingen gemotiveerd weersproken waarna eiseres daar niet nader op is ingegaan.

Verder heeft eiseres in haar akte van 10 februari 2017 gesteld dat zij naar aanleiding van de na de comparitie ingewonnen inlichtingen heeft ontdekt dat er gelden door de executeur zijn doorgesluisd naar en ten behoeve van zijn kinderen, welke giften niet zijn vermeld op het eerder door hem overlegde overzicht. De door haar omcirkelde bedragen zijn echter terug te vinden op het eerder genoemde overzicht van de executeur.

De rechtbank houdt het ervoor dat eiseres de executeur in deze procedure in diskrediet heeft willen brengen door de suggestieve stellingen die zij verder niet onderbouwd en door het indienen van incomplete stukken.

Gelet op de door de executeur verstrekte overzichten en stukken en het tussen partijen gevoerde debat, komt de rechtbank tot het oordeel dat de executeur aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat er geen grond is om aan te nemen dat er nog giften zijn gedaan door erflaatster die niet door de executeur zijn genoemd maar die wel van belang zouden zijn voor de bepaling van de legitieme vordering van eiseres. Hieruit volgt dat de vordering onder A met betrekking tot “de stukken waarmee de schenkingen aan gedaagde, diens vrouw en kinderen onomstotelijk kunnen worden vastgesteld”, afgewezen zal worden.

Onder B heeft eiseres de verstrekking van een machtiging door de executeur gevorderd om informatie te verkrijgen betreffende het vermogen van erflaatster, in het bijzonder over de banksaldi ten tijde van het overlijden van erflaatster. Voor zover dit bankafschriften of een print van de internetpagina’s van de ING betaal- en beleggingsrekening op de sterfdatum van erflaatster betreft, betreft dit ook het voldoen door de executeur aan de veroordeling van de kantonrechter.

Ter zitting heeft de executeur aan eiseres een volmacht verleend voor een periode van drie maanden, om namens hem informatie van alle betrokken/relevante banken en instanties in Nederland betreffende het vermogen van erflaatster te verkrijgen.

In zoverre heeft de executeur voldaan aan de vordering onder B en aan de veroordeling door de kantonrechter. Uit de akte van eiseres van 10 februari 2017, blijkt dat zij daarmee echter niet de door haar gewenste informatie heeft kunnen verkrijgen.

Argenta, ABN-AMRO en SNS bank weigeren de bankafschriften te verstrekken en verwijzen naar de executeur. Volgens eiseres zouden de banken aan hem de bankafschriften hebben verstrekt. De rechtbank kan dit echter niet opmaken uit de bijlagen waarnaar eiseres verwijst ter toelichting van deze stelling. De redenen die daarin worden genoemd houden verband met het ontbreken van een omschrijving in de volmacht van wat onder “vermogen” wordt verstaan, wiens nalatenschap het betreft, het ontbreken van een verklaring van erfrecht, het feit dat er sinds 2012 geen producten meer aanwezig zijn op de naam van erflaatster of dat de gevraagde informatie geen betrekking heeft op een bankrekening ten name van erflaatster.

De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van de (subsidiaire) vordering onder B, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de executeur al aan zijn verplichting heeft voldaan om [eiseres] te voorzien van de benodigde informatie over de omvang van de nalatenschap door de verstrekking van de definitieve aangifte voor successie en de zogenoemde verantwoordingsbrief van 7 oktober 2015.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de executeur aan eiseres de definitieve successieaanslag zal verstrekken. Daaraan heeft de executeur in zoverre voldaan door een brief van de belastingdienst van 16 december 2016 over te leggen die is toegespitst op de situatie van eiseres als legitimaris. De brief houdt in dat het saldo van de nalatenschap blijkens zowel de eerste aangifte als de aanvullende aangifte (die is opgesteld na het beroep op de legitieme portie door legitimaris) € 34.551,- bedraagt, dat de legitieme portie van eiseres door de executeur is berekend op € 8.637,- (en daarmee binnen de geldende kind-vrijstelling valt zodat er geen erfbelasting daarover verschuldigd is door eiseres). De rechtbank zal daarom de onder A gevorderde overlegging van de definitieve aangifte erfbelasting afwijzen.

Aan de op zitting gemaakte afspraak dat de executeur de aangiften inkomstenbelasting van erflaatster tot vijf jaar teruggerekend van het moment van haar overlijden zal overlijden, heeft de executeur overigens ook gevolg gegeven.

Ten aanzien van de vordering onder A tot verstrekking van alle bankafschriften van ING-bankrekeningnummer en ABN AMRO bankrekeningnummer, heeft eiseres niet nader toegelicht wat daarvan de relevantie is, zodat er geen grond is om deze vordering toe te wijzen. Voor zover dit bankrekeningen betreft die ten name van erflaatster waren gesteld, valt de vordering samen met de hiervoor beoordeelde vordering onder B.

Vaststelling legitieme portie

Zoals hiervoor is overwogen, gaat de berekening van eiseres uit van (financiële) veronderstellingen die niet houdbaar zijn gebleken.

Daarbij komt dat zij bij de berekening van haar legitieme portie ten onrechte de giften die zij van erflaatster heeft ontvangen buiten beschouwing heeft gelaten. Zij heeft in dit verband onvoldoende weersproken dat de giften die zij heeft ontvangen, € 110.184,96 bedragen zoals de executeur heeft berekend. Ondanks de expliciete uitnodiging van de rechtbank daartoe op de zitting, heeft zij nagelaten te onderbouwen dat de aan haar overgeboekte bedragen leningen betroffen (zoals zij ter comparitie aanvoerde).

Het door haar gevorderde bedrag van € 124.499,16 zal aldus worden afgewezen.

Ter comparitie is aan eiseres opgedragen op basis van de door haar ingewonnen informatie een berekening van haar legitieme portie in het geding te brengen, voorzien van een onderbouwing. Zij heeft dit echter nagelaten.

De rechtbank zal de legitieme portie berekenen op grond van de door de executeur beschikbaar gestelde en door eiseres onvoldoende betwiste gegevens.

Voor de waarde van de nalatenschap gaat de rechtbank uit van € 34.551,- (conform het bericht van de belastingdienst). Deze waarde dient te worden vermeerderd met de giften aan de legitimarissen eiseres en gedaagde, en giften aan derden binnen vijf jaren voorafgaande aan het overlijden van erflaatster.

Uit het overzicht van de executeur leidt de rechtbank af dat het totaal van de giften aan hem en aan derden binnen de genoemde vijfjaarstermijn € 313.791,81 (€ 317.391,42 minus € 3.559,61) bedraagt.

De legitimaire massa kan dan worden becijferd op € 458.527,77 (€ 34.551,- + € 110.184,96 + € 313.791,81). De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de schulden, naast de in mindering gebrachte € 3.559,61, al zijn verdisconteerd in het saldo van de nalatenschap van € 34.551,-. De vordering van [eiseres] bedraagt daarvan een vierde: € 114.631,94. Daarvan heeft zij reeds € 110.184,96 ontvangen, zodat zij nog € 4.446,98 tegoed heeft. De rechtbank zal dit bedrag als het mindere van de vordering onder 2. van eiseres toewijzen. De daarover gevorderde rente kan worden toegewezen nu deze niet is weersproken en op de wet kan worden gegrond.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van de executeur, het opvragen van informatie ten behoeve van de berekening van de legitieme of over schenkingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.