De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of toerekening van giften bij een gemeenschap van goederen.
De moeder is in 2013 overleden.
Zij heeft in haar testament verweerder onterfd, de vader en eisers tot erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling van art. 4:13 BW van toepassing verklaard.
De vader is in 2014 overleden.
Hij heeft in zijn testament verweerder onterfd en eisers als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
Toerekening gift voor het geheel aan erflater, of mede aan echtgenote met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd was?
Erfrecht. Legitieme. Toerekening van giften. Huwelijksvermogensrecht. Gemeenschap van goederen. Toerekening van gift aan degene die formeel als schenker partij is.
De Hoge Raad oordeelt als volgt.
Het middel is gericht tegen het tweede tussenarrest van het hof.
Daarin heeft het hof overwogen:
“De giften die vader heeft gedaan, worden geheel aan hem toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen. Ook de rechtbank is daarvan uitgegaan. Verweerder maakt daartegen vergeefs bezwaar. Zijn eerste grief houdt in dat de giften voor de helft aan (de nalatenschap van) moeder moeten worden toegerekend, omdat zij ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap van vader en moeder. Die grief faalt. Moeder heeft aan vader in de notariële akte van 30 december 2010 toestemming op voet van artikel 1:88 BW gegeven voor alle rechtshandelingen van vader in die akte, dus ook voor de kwijtschelding van de overnamesom en de koopsom van de woning voor een deel van € 100.000. Die toestemming maakt haar niet tot schenker, maar bevestigt juist dat de schenkingen alleen door vader zijn gedaan.”
Onderdeel van het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat de giften die de vader heeft gedaan geheel aan hem worden toegerekend, ook al was hij getrouwd in gemeenschap van goederen.
Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat voor de toerekening van een gift niet de formele tenaamstelling relevant is maar wie in economische zin door de gift is verarmd en dat mede beoordeeld moet worden of uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat beide echtgenoten de gift hebben gedaan.
Het onderdeel faalt.
De vaststellingswet voor het nieuwe erfrecht bevatte in art. 4.3.3.6a (thans art. 4:68 BW) een regeling zoals door het onderdeel bepleit.
Tijdens de behandeling van de invoeringswetgeving is evenwel afgezien van een dergelijke regeling.
Deze wijziging is als volgt toegelicht:
“Artikel 4.3.3.6a. Tot dusver werden in artikel 4.3.3.6a giften van een erflater die gehuwd was in enige gemeenschap of deelgenootschap (wettelijk of krachtens huwelijkse voorwaarden) niet geheel toegerekend aan de gever. Voor zover de gift ten gevolge van de regels van de gemeenschap of het deelgenootschap feitelijk ten laste kwam van de echtgenoot van de erflater, werd zij aan deze echtgenoot toegerekend. Nadere overweging van deze bepaling en de daarmee samenhangende, nogal gecompliceerde, regels van artikel 7.3.12c lid 7 heeft mij er alsnog toe gebracht om in deze bepalingen voor giften niet af te wijken van de formele tenaamstelling. Schenkingen dienen derhalve volledig te worden toegerekend aan degene die daarbij als schenker partij is. De echtgenoot die geen partij is zal daaraan zo nodig toestemming kunnen onthouden (artikel 1:88).”
In de hiervoor geciteerde toelichting op de wijziging van art. 4.3.3.6a wordt verwezen naar het voorstel voor art. 7.3.12c (thans: art. 7:188 BW), een bepaling over een gift in de vorm van de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering.
Ook dat voorstel is gewijzigd. In de toelichting daarop staat onder meer:
“Verder wordt, evenmin als in artikel 4.3.3.6a, nog onderscheid gemaakt op grond van het huwelijksgoederenregime van de verzekeringnemer: de gift wordt toegerekend aan de formele bedinger van de verzekeringsuitkering. Weliswaar kan daardoor een verschil ontstaan tussen de juridische duiding van een gift en de economische kwestie te wiens laste de gift komt, doch dit is als onvermijdelijk aanvaard.”
De wetgever heeft voor het civiele recht derhalve uitdrukkelijk ervoor gekozen giften volledig toe te rekenen aan degene die daarbij formeel als schenker partij was.
Dit betekent voor de berekening van de legitieme porties dat giften op naam van de erflater op de voet van art. 4:67 BW in aanmerking worden genomen voor het geheel, ook indien hij in gemeenschap van goederen gehuwd was en de giften feitelijk mede ten laste zijn gekomen van zijn echtgenoot.
Het onderdeel berust dus op een onjuiste rechtsopvatting.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.