De Rechtbank Noord-Nederland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een gift bestaande uit levensonderhoud van een meerderjarige zoon in aanmerking diende te worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa.

Eiser en gedaagde zijn het grotendeels met elkaar eens over wat de omvang is van de nalatenschappen van erflater en erflaatster.

Zij verschillen echter van mening over de hoogte van de schenkingen die de broer van eiser, de vader van gedaagde, gedurende zijn leven heeft ontvangen van erflater en erflaatster.

Eiser en gedaagde kunnen het daarom niet eens worden over de vraag of aan gedaagde in verband met zijn legitieme portie nog enig bedrag toekomt.

Erfrecht. Legitieme. Giften die voor de berekening van de legitimaire massa in aanmerking moeten worden genomen. Gift bestaande uit levensonderhoud van meerderjarige zoon. Morele verplichting?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de vorderingen is het volgende van belang.

Gedaagde heeft als afstammeling van de broer van eiser bij plaatsvervulling aanspraak op de legitieme portie in de nalatenschappen van erflater en erflaatster; hij is legitimaris.

De legitieme portie wordt berekend over de legitimaire massa; dat is de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (artikel 4:65 van het Burgerlijk Wetboek, BW).

Welke giften voor de berekening van de legitimaire massa in aanmerking komen, en voor welke waarde, wordt geregeld in de artikelen 4:65-4:69 BW.

Als hoofdregel geldt dat in aanmerking worden genomen alle giften waarvan de prestatie binnen vijf jaar voor het overlijden van de erflater/erflaatster is geschied.

Op grond van art. 4:67 onder d BW worden ook in aanmerking genomen giften aan een afstammeling waarvan de prestatie langer dan vijf jaar voor het overlijden is geschied, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is.

In dit geval gaat het om de giften die erflater en erflaatster hebben verricht aan hun kinderen (de broer van eiser en eiser zelf) en de giften die zij in de vijf jaren voor hun overlijden hebben verricht aan de kleinkinderen.

Na berekening van de omvang van de legitimaire massa kan de legitieme portie worden vastgesteld door de legitimaire massa te vermenigvuldigen met het breukdeel dat wordt bepaald aan de hand van art. 4:64 BW.

In de nalatenschap van erflater gaat het om 1/6 en in de nalatenschap van erflaatster om 1/4.

Op de legitieme portie komt in mindering – kort gezegd – dat wat de legitimaris al aan giften gekregen heeft, en wat hij via erfrechtelijke aanspraken kan verkrijgen.

Giften aan de broer van eiser, die legitimaris zou zijn geweest indien hij erflater en erflaatster had overleefd, worden aangemerkt als giften aan gedaagde (art. 4:70 lid 2 BW).

De rechtbank zal eerst vaststellen wat de omvang is van de nalatenschap van erflater en vervolgens beoordelen welke giften al dan niet moeten worden bijgeteld voor de legitimaire massa van de nalatenschap van erflater.

Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welk bedrag erflaatster in verband met de legitimaire aanspraak van gedaagde schuldig is gebleven aan[gedaagde.

Vervolgens zal de rechtbank de omvang van de nalatenschap van erflaatster vaststellen en beoordelen wat de legitimaire aanspraak van gedaagde is in de nalatenschap van erflaatster.

Vooraf merkt de rechtbank het volgende op.

De wetgever heeft er, gezien de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van het nieuwe erfrecht, uitdrukkelijk voor gekozen om giften volledig toe te rekenen aan degene die daarbij formeel als schenker partij was.

Dit betekent voor de berekening van de legitieme porties dat giften op naam van de erflater op de voet van art. 4:67 BW in aanmerking worden genomen voor het geheel, ook indien hij in gemeenschap van goederen gehuwd was en de giften feitelijk mede ten laste zijn gekomen van zijn echtgenoot.

In dit geval is echter tussen partijen niet in geschil dat de giften die erflater en erflaatster hebben verricht, voor de berekening van de legitimaire massa voor ene de helft aan erflater en voor de andere helft aan erflaatster moeten worden toegerekend.

Aangezien partijen het over deze wijze van toerekening eens zijn, zal de rechtbank dit tot uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling.

Volgens artikel 7:186 lid 2 BW is een gift iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt.

De gift omvat, naast de in artikel 7:175 BW bedoelde overeenkomst van schenking, vele andere wijzen van bevoordeling.

Uit de definitie van gift kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van een handeling, verrijking van de ontvanger, verarming van de gever en een bevoordelingsbedoeling (vrijgevigheid).

Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze periodieke betalingen (en uiteraard ook de twee schenkingen van € 5.000,-) die erflater en erflaatster – behoudens te leveren tegenbewijs – aan broer van eiser hebben verricht, worden gekwalificeerd als giften.

Als onweersproken staat vast dat in het medisch dossier van broer eiser geen enkele geestelijke of lichamelijke diagnose staat vermeld die zou leiden tot arbeidsongeschiktheid, en dat er geen contact is geweest tussen de huisartsenpraktijk van de broer van eiser en het UWV/GAK over arbeidsongeschiktheid.

In de brief van het UWV van 12 januari 2023 staat vermeld dat broer van eiser niet in de systemen van het UWV geregistreerd staat en dat er over broer van eiser niets bekend is over enige uitkeringen.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er bij broer van eiser geen sprake was van handicap of zorgbehoevendheid.

Na de 21e verjaardag van een kind hebben ouders niet langer de plicht tot het verschaffen van levensonderhoud of studiekosten aan hun kind.

Desondanks hebben erflater en erflaatster hun volwassen zoon in de leeftijd van 50+ jarenlang financieel onderhouden met een bijdrage van € 2.100,- per maand.

Dit zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond en zonder dat sprake was van bijzondere omstandigheden (zoals handicap of zorgbehoevendheid) die een dringende morele verplichting tot levensonderhoud meebrachten.

Onder die omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat erflater en erflaatster dat deden uit vrijgevigheid.

De motieven die ten grondslag liggen aan de wil tot bevoordeling zijn daarvoor niet relevant; voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat degene die is verarmd, de verrijking van de andere partij heeft gewild.

Dat het betalen van levensonderhoud mogelijkerwijs voortvloeit uit gevoelens van schaamte is dan ook, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, voor de beoordeling van de vraag of sprake is van vrijgevigheid niet van belang.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat legitieme over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de berekening van de legitieme, bezoek dan onze website over de legitieme. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.